Centrale Raad van Beroep, 17-04-2015 / 13-5921 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1317

Inhoudsindicatie
Voor de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van 26 september 2011 geldt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er op grond van artikel 39a van de WAO geen aanspraak was op een verkorte wachttijd van vier weken. In deze bepaling staat de voorwaarde dat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de WAO-uitkering. Het Uwv heeft terecht overwogen dat er op grond van artikel 37 WAO een wachttijd gold van 104 weken na datum melding toegenomen arbeidsongeschiktheid. Voor de benoeming van een deskundige bestaat dan ook geen aanleiding. De juistheid van de vaststelling van de situatie na verloop van de wachttijd van 104 weken is in dit geding niet aan de orde.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
13-5921 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5921 WAO

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 september 2013, 13/3341 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Kaya heeft een toelichting van appellant en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord en heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 18 april 1995 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als monteur televisie en audio met psychische klachten als gevolg van een werkconflict, alsmede nek- en schouderklachten en klachten aan de luchtwegen. Met ingang van 5 april 1996 ontving hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.


1.2.

Bij besluit van 18 december 2001 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 25-35%.


1.3.

Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant eveneens ongewijzigd vastgesteld op 25-35%.


1.4.

Op 26 september 2011 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd en heeft hij verzocht om herziening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij besluit van 13 november 2012, aangevuld op 29 januari 2013, heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien.


1.5.

Bij besluit van 19 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich daarbij op het standpunt dat verhoging van de WAO-uitkering van appellant niet kan plaatsvinden, omdat hij de daarvoor geldende wettelijke wachttijd van 104 weken nog niet heeft volbracht. Daarbij heeft het Uwv mede nagegaan of appellant aanspraak kon ontlenen aan de verkorte wachttijdregeling als bedoeld in artikel 39a van de WAO. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden voor een verkorte wachttijd, omdat de toename van zijn arbeidsongeschiktheid is ingetreden meer dan vijf jaar na de toekenning en de laatste wijziging van zijn WAO-uitkering. Na het volbrengen van de wachttijd van 104 weken zal beoordeeld worden of de WAO-uitkering van appellant moet worden herzien.


1.6.

Bij brief van 26 maart 2013 heeft het Uwv appellant opnieuw bericht dat zijn bezwaar ongegrond wordt verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv een onzorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Appellant voert aan dat het Uwv niet serieus gekeken heeft naar zijn klachten ten gevolge van COPD en OSAS en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Verder voert appellant aan dat een groot deel van zijn ziekten en handicaps die hij aan de artsen van het Uwv heeft gerapporteerd niet terug is te vinden in zijn dossier. Ook de uitkomsten van de op verzoek van het Uwv verrichte psychiatrische expertise zijn onvoldoende in de verzekeringsgeneeskundige beoordeling meegenomen. Op basis hiervan stelt appellant dat het Uwv willekeurig handelt. Appellant verzoekt de Raad dan ook een onafhankelijk deskundige te benoemen.


3.2.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv bij brief van 3 maart 2015 toegelicht dat de brief van 26 maart 2013 een voorlegger is en dat die brief abusievelijk aan appellant is toegezonden. Voorts heeft het Uwv vermeld dat op 29 januari 2013 een aanvullende motivering is gegeven op het primaire besluit van 13 november 2012. Het Uwv heeft verder verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Naar aanleiding van de in 3.2 samengevat weergegeven beantwoording door het Uwv van de hem gestelde vragen en van het verhandelde ter zitting beschouwt de Raad de motivering van het besluit van 13 november 2012 als aangevuld op 29 januari 2013 en houdt hij de toelichting op de betekenis van de brief van 26 maart 2013 voor aannemelijk.


4.2.

Voor de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant van 26 september 2011 geldt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat hij ter zake daarvan op grond van artikel 39a van de WAO geen aanspraak kon ontlenen aan een verkorte wachttijd van vier weken. De melding van appellant voldeed immers niet aan de in deze bepaling gestelde voorwaarde dat de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de WAO-uitkering. Tussen 5 april 1996, de datum van ingang van de voor appellant vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, en 26 september 2011, de datum waarop appellant de in geding zijnde melding heeft gedaan, zijn meer dan vijf jaar verstreken. Latere herbeoordelingen na 5 april 1996 hebben immers, gelet op de besluiten van 18 december 2001 en 15 oktober 2008, niet tot een herziening van de WAO-uitkering geleid. Dit betekent dat het Uwv in het besluit van 19 maart 2013 terecht heeft overwogen dat, in verband met het verzoek van appellant van 26 september 2011 om herziening van zijn WAO-uitkering, op grond van artikel 37 WAO een wachttijd gold van 104 weken, zodat appellant met ingang van 26 september 2011 dan wel met ingang van vier weken daarna, geen aanspraak op een verhoging van zijn WAO-uitkering aan de WAO kon ontlenen. Voor de benoeming van een deskundige bestaat dan ook geen aanleiding.


4.2.

In de brief van het Uwv van 3 maart 2015 ziet de Raad aanleiding het volgende op te merken. In deze brief is vermeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant - na verloop van de wachttijd van 104 weken - met ingang van 23 september 2013 is vastgesteld op 55 tot 65%. De juistheid van die vaststelling en de ter zitting besproken vraag of daartegen al dan niet bezwaar is gemaakt, is in dit geding echter niet aan de orde.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) S. Aaliouli




NK