Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 13-6028 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1320

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Intrekking WIA-uitkering. De rechtbank heeft terecht de door haar geraadpleegde deskundige gevolgd in zijn oordeel dat appellant de voor betrokkene geldende medische beperkingen niet juist heeft ingeschat. Appellant dient de FML te wijzigen in overeenstemming met de bevindingen en de conclusies van neurochirurg en zo nodig op basis van de aldus aangepaste FML een arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden. De Raad draagt appellant op om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
13-6028 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6028 WIA-T

Datum uitspraak: 24 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 oktober 2013, 12/210 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te Marknesse (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Wijnne-Oosterhoff, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2015. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Wijnne-Oosterhoff.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als gastvrouw/kamerassistente voor 18 uur per week en is op 20 december 2007 uitgevallen met rugklachten.


1.2.

Na afloop van de wachttijd is haar bij besluit van 8 december 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode 17 december 2009 tot 17 mei 2012, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.3.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft het Uwv na herbeoordeling vastgesteld dat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is zodat zij vanaf 17 mei 2012 geen

WIA-uitkering meer krijgt. Het tegen dat besluit gerichte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 december 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft dr. T.T.A. Aalders, neurochirurg, als onafhankelijke deskundige op verzoek van de rechtbank op 15 november 2012 verslag uitgebracht. In zijn rapport komt Aalders op grond van dossierstudie, waaronder uitvoerige informatie van de behandelend sector, en eigen lichamelijk onderzoek van betrokkene tot de volgende conclusie. Hij acht betrokkene ten gevolge van reële pijnklachten in de onderrug fysiek beperkt ten aanzien van buigen en torderen en ten aanzien van langere tijd zitten in statische houding. Hoewel volgens Alders voor de klachten van betrokkene geen specifieke oorzaak kan worden genoemd, geeft hij expliciet te kennen dat haar klachten samenhangen met algemene rugpathologie. Desgevraagd heeft Aalders meegedeeld dat hij niet kan instemmen met de beperkingen zoals zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 augustus 2011 voor zover deze ziet op het veelvuldig herhalen van buigen en roteren van de rug. De frequentie daarvan moet duidelijk verlaagd worden. Tevens is met name de statische houding van het zitten vaak langere tijd achtereen niet mogelijk en zal de duur van het zitten in heel korte periodes moeten worden geknipt, waarbij in de periode tussen het zitten een liggende dan wel lopende positie moet worden ingenomen. Ten slotte acht hij een verdergaande urenbeperking aangewezen. Ten gevolge van de reële pijnklachten kan betrokkene volgens de deskundige hoogstens 4 uur per dag actief werkzaam zijn met de mogelijkheid van pauzes tussendoor.


2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 30 november 2012 op het rapport van Aalders gereageerd. Zij heeft er op gewezen dat uit de bestudering van de expertise van Aalders op te maken is dat er geen objectief medische argumenten zijn om meer beperkingen aan te nemen voor de rugbelastbaarheid. Om die reden ziet de verzekeringsarts geen medisch objectiveerbaar doorslaggevende argumenten om het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de vastgestelde belastbaarheid te verlaten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht betrokkene nog steeds in staat om rugsparende werkzaamheden gedurende 6 uur per dag te verrichten.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat er geen reden is om de deskundige niet te volgen in zijn oordeel, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en voorts inzichtelijk en consistent is.


4.1.

Appellant blijft van mening dat vanuit medisch objectiveerbaar oogpunt geen redenen zijn om verdergaande beperkingen, zoals aangegeven door de deskundige, te volgen. Voorts stelt appellant dat volgens vaste rechtspraak de deskundige beargumenteerd dient in te gaan op de reactie van partijen op zijn rapport en dat in dit geval de deskundige niet is gevraagd een reactie te geven op het rapport van 30 november 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.2.

Betrokkene heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Zij heeft daarbij betoogd dat de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen en dit her ook terecht heeft gedaan. Bovendien meent betrokkene dat er geen aanleiding bestond om een nadere reactie te vragen aan de deskundige op het commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit commentaar komt immers in de kern slechts erop neer dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen geeft het niet eens te zijn met de inhoud van het rapport van de deskundige.


5. De Raad oordeelt als volgt.


5.1.

Het geding tussen partijen heeft zich in hoger beroep toegespitst op de vraag of de rechtbank terecht de deskundige heeft gevolgd in zijn oordeel dat appellant de voor betrokkene geldende medische beperkingen niet juist heeft ingeschat.


5.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Voor een overtuigende motivering is vereist dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en inzichtelijk en consistent is.


5.3.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat deze situatie zich hier voordoet. De deskundige heeft in zijn rapport van 15 november 2012 de kern van de problematiek van betrokkene duidelijk gemotiveerd weergegeven. Bij lichamelijk onderzoek is voornamelijk een beperking in de beweeglijkheid van de onderrug gevonden die grotendeels verklaarbaar is vanuit de verstijvende ingrepen die bij betrokkene zijn uitgevoerd, maar deze beperking staat in deze los van het eigenlijk probleem van betrokkene namelijk de pijn in de onderrug. Deze rugpijn is weliswaar niet objectief meetbaar, maar naar algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht kunnen de rugklachten van betrokkene in oorzakelijk verband worden gebracht met algemene rugpathologie zonder dat hier een specifieke oorzaak genoemd kan worden. Bij betrokkene bestaat niet zozeer een functionele beperking als gevolg van geringe fysieke beperkingen na het operatief ingrijpen. Het veelvuldig herhalen van buigen en torderen van de rug en het langdurig zitten leidt bij betrokkene tot onaanvaardbare pijn. Dit is een algemeen probleem dat bekend is bij rugpatiënten. Vervolgens heeft de deskundige de medische beperkingen toegelicht, namelijk dat voor betrokkene ten gevolge van haar pijnklachten de frequentie van het buigen en torderen van de rug duidelijk verlaagd moet worden en dat tevens de statische houding van het zitten langere tijd achtereenvolgend niet mogelijk is. Voorts acht hij betrokkene ten gevolge van haar pijnklachten niet in staat om binnen een normale werktijdsduur van zes uur lonend actief te zijn. Betrokkene kan hoogstens vier uur per dag actief werkzaam zijn, waarbij dan tussendoor steeds pauzes mogelijk moeten zijn, dan wel zal een functie geselecteerd moeten worden waarbij een zeer sterke afwisseling mogelijk is tussen statische en dynamische handelingen. Ten slotte heeft de deskundige, uitgaande van de functieomschrijving van de voor betrokkene geselecteerde functies, gemotiveerd aangegeven waarom alleen de functie van administratief medewerker binnen de beperkingen van betrokkene valt. Verder blijkt uit het door betrokkene in beroep bij de rechtbank overgelegde rapport van 20 februari 2012 van de medisch adviseur mr. J.F.G. Wolthuis dat ook deze medisch adviseur tot de conclusie komt dat betrokkene medisch meer beperkt is dan aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat hij betrokkene niet in staat acht de voor haar geselecteerde functies te vervullen. Ten gevolge van de toegenomen klachten de afgelopen jaren, en ook sinds mei 2011, is volgens ook de medisch adviseur sprake van forse rugbeperkingen en dient de FML van de bedrijfsarts, opgesteld op

17 mei 2011, gevolgd te worden, met daarbij de kanttekening dat ook zijn inziens tevens een urenbeperking van vier uur per dag op zijn plaats is. De Raad acht evenvermelde conclusies van de deskundige, mede bezien in het licht van de daarmee in lijn zijnde bevindingen van de medisch adviseur Wolthuis, inzichtelijk, consistent en overtuigend. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, in de kern erop neerkomend dat de beperkingen van betrokkene, anders dan de deskundige heeft geoordeeld, niet objectiveerbaar zijn, zijn onvoldoende aanknopingspunten gelegen om, met voorbijzien aan de betekenis die volgens vaste rechtspraak toekomt aan het rapport van een onafhankelijk deskundige, de conclusies van deskundige Aalders niet te volgen. Gelet op de inhoud van de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 30 november 2012, en hetgeen de deskundige in zijn rapport heeft opgemerkt over het realiteitsgehalte en de objectiveerbaarheid van de klachten van betrokkene, onderschrijft de Raad, ten slotte, niet de stelling van appellant dat de rechtbank gehouden was de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog eerst voor te leggen aan de deskundige.


5.4.

Uit hetgeen in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen volgt dat sprake is van een gebrek in de motivering van het bestreden besluit. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Appellant dient daartoe de FML van 17 augustus 2011 te wijzigen in overeenstemming met de bevindingen en de conclusies van neurochirurg Aalders en zo nodig op basis van de aldus aangepaste FML een arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden.











BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) M. Crum



ij