Centrale Raad van Beroep, 08-04-2015 / 14-1063 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:1321

Inhoudsindicatie
Niet meer in geschil is dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering van de voorziening per datum in geding. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid tot uitoefening van zijn bevoegdheid heeft kunnen overgaan. Wat appellante heeft aangevoerd bevat geen grond voor het oordeel dat het college bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Tot de aan het pgb verbonden verplichtingen hoort het verschaffen van informatie m.b.t. alle wijzigingen in haar persoonlijke situatie zoals samenwoning met 1 of meer zoons.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
14-1063 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1063 WMO

Datum uitspraak: 8 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 januari 2014, 13/7630 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015. Appellante en haar zoon [naam zoon] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 25 februari 2015. Appellante en [naam zoon] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 3 april 2008 heeft het college aan appellante een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verleend voor huishoudelijke verzorging, categorie 1, voor 3,5 uur per week over de periode 3 april 2008 tot en met 2 april 2013.


1.2.

Op 28 februari 2013 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo. In verband met deze aanvraag heeft het college onderzoek verricht. Daarbij is gebleken dat de zoon van appellante, [Naam zoon 2], sinds 16 oktober 2009 in de Gemeentelijke Basisadministratie op het adres van appellante staat ingeschreven. Vanaf 20 september 2011 staat ook [naam zoon] op dit adres ingeschreven en vanaf 4 oktober 2011 [naam R.].


1.3.

Bij besluit van 25 maart 2013 heeft het college de aan appellante in de vorm van een pgb verleende huishoudelijke verzorging ingetrokken. Tevens heeft het college een bedrag van

€ 9587,20 teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college het tegen het besluit van 25 maart 2013 gemaakte bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat is gebleken dat de zoon van appellante, [Naam zoon 2], sinds 16 oktober 2009 bij appellante inwoont. Hij wordt geacht de gebruikelijke zorg te verlenen en het huishoudelijke werk te verrichten. Appellante heeft aan het college niet gemeld dat haar zoon is komen inwonen. Ook van de inwoning van [naam zoon] en [naam R.] heeft appellante geen mededeling gedaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het college er op goede gronden van uitgegaan dat appellante vanaf 16 oktober 2009 geen recht meer op een voorziening voor hulp in de huishouding had. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar inwonende zoon geen gebruikelijke zorg heeft kunnen verlenen. Het college was bevoegd om per

16 oktober 2009 tot intrekking van de voorziening en terugvordering van de pgb-gelden over te gaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog van appellante dat het college bij de terugvordering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mate van haar te verwijten onwetendheid en haar persoonlijke omstandigheden geen doel treft. De door appellante aangevoerde omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft mogen maken.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet meer in geschil is dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering van de voorziening per 16 oktober 2009. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid tot uitoefening van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering heeft kunnen overgaan.


4.2.

In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking en terugvordering van het pgb heeft kunnen besluiten.


4.3.

Het betoog van appellante dat zij er vanuit heeft mogen gaan dat zij van de inschrijving van de zoon op haar adres geen mededeling hoefde te doen, slaagt niet. Bij het toekenningsbesluit heeft het college appellante gewezen op de aan het pgb verbonden verplichtingen. Hierin staat vermeld dat appellante het college direct op de hoogte moet stellen van alle wijzigingen in haar persoonlijke situatie die van invloed kunnen zijn op haar recht op de voorziening, waaronder samenwoning. Deze verplichting diende bij appellante dan ook bekend te zijn. Het had op de weg van appellante gelegen tijdig de hulp van een derde in te schakelen als zij niet goed begreep wat er van haar werd verwacht. Dat de zorg is geleverd en dat het pgb hiervoor daadwerkelijk is betaald, laat onverlet dat appellante zich dient te houden aan de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden. De gevorderde leeftijd van appellante vormt ook geen reden om van intrekking en terugvordering af te zien. Voorts is niet gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare financiële consequenties voor appellante zal leiden. Het college heeft het belang van handhaving van de opgelegde verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven de belangen van appellante.


4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.









BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, A.J. Schaap en M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.



(getekend) R.M. van Male




(getekend) V. van Rij




NK