Centrale Raad van Beroep, 15-04-2015 / 14-984 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1322

Inhoudsindicatie
Vaststelling pgb op nihil, terugvordering voorschotten. Zorg niet verantwoord.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-15
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
14-984 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/984 AWBZ

Datum uitspraak: 15 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

7 januari 2014, 13/704 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.A.M. Oude Breuil, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015. Voor appellante zijn verschenen haar dochter [dochter] en mr. Oude Breuil. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G.M. Bosma.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellante bij besluit van 23 december 2011 voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functie persoonlijke verzorging, klasse 3. In verband met de definitieve vaststelling van de eigen bijdrage is het pgb bij besluit van 30 januari 2012 gewijzigd.


1.2.

Bij brieven van 26 juni 2012, 11 september 2012 en 2 oktober 2012 heeft het Zorgkantoor appellante verzocht de door haar ingekochte zorg in de periode 1 januari 2012 tot en met

30 juni 2012 te verantwoorden. Appellante heeft hierop niet gereageerd.


1.3.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft het Zorgkantoor het pgb beëindigd en de reeds verstrekte voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het Zorgkantoor de eindafrekening van het pgb over de periode 1 januari 2012 tot en met

31 december 2012 vastgesteld. Hierbij heeft het Zorgkantoor vastgesteld dat aan appellante een pgb van € 7.212,82 is toegekend en appellante niets heeft verantwoord. Een bedrag van

€ 7.212,82 wordt van appellante teruggevorderd.


1.4.

In bezwaar heeft appellante, na hiertoe door het Zorgkantoor in de gelegenheid te zijn gesteld, een aantal stukken overgelegd, waaronder een verantwoordingsformulier over de maanden 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 en een verantwoordingsformulier over de maanden 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011. Tevens heeft zij zorgovereenkomsten en een transactie-overzicht van de bankrekeningen van haar dochter en kleinzoon overgelegd. Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder b, van de AWBZ kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College zorgverzekeringen overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak op grond van deze wet zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven.


4.2.

Deze ministeriële regeling is de Regeling subsidies AWBZ (de Regeling). In paragraaf 2.6 van de Regeling zijn bepalingen opgenomen over het pgb. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling wordt bij de verlening van het netto pgb de verzekerde de verplichting opgelegd dat hij het budget uitsluitend gebruikt voor de betaling van zorg, zoals nader bepaald in dat artikelonderdeel. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling sluit de verzekerde een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener, waarin ten minste de onder 1, 2 en 3 van dat artikelonderdeel nader omschreven afspraken over de termijn van indiening van declaraties en de gegevens die een declaratie moet bevatten zijn opgenomen. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling bewaart de verzekerde, voor zover hier van belang, de in onderdeel c bedoelde declaraties en overeenkomst gedurende vijf jaren en stelt deze, desgevraagd, ter beschikking van het zorgkantoor.


4.3.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Regeling wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.


4.4.

Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld als de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.


4.5.

Ingevolge artikel 4:95, vierde lid, van de Awb kunnen betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom en kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.


4.6.

Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als vaststellingsbesluit als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Regeling en artikel 4:46 van de Awb. Dit besluit moet ook worden aangemerkt als terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.


4.7.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid onder c, van de Regeling is appellante verplicht de op die formulieren verantwoorde zorg te bewijzen met zorgovereenkomsten en declaraties, welke ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid onder d, van de Regeling door het Zorgkantoor kunnen worden opgevraagd. De door appellante overgelegde zorgovereenkomsten met de zorgverleners voldoen niet aan de gestelde eisen. De zorgovereenkomst met de kleinzoon is eerst na het verlenen van de zorg opgesteld en ondertekend. De zorgovereenkomst met de dochter heeft appellante niet ondertekend. Bovendien is het niet duidelijk wanneer deze overeenkomst is opgemaakt. Appellante heeft voorts geen declaraties overgelegd van zorgverleners.


4.8.

Uit het voorgaande volgt dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c en d van de Regeling. Het Zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen.


4.9.

Dat het Zorgkantoor niet tijdig een adreswijziging zou hebben doorgevoerd, waardoor de dochter van appellante het verzoek om de verantwoordingsformulieren in te leveren te laat heeft ontvangen, doet aan het voorgaande niet af. Het Zorgkantoor heeft appellante tijdens de bezwaarprocedure nogmaals in de gelegenheid gesteld de gevraagde verantwoording in te dienen met de onderliggende stukken.


4.10.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 74). De door appellante aangevoerde omstandigheden leiden er niet toe dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Hiertoe overweegt de Raad het volgende.


4.11.

Appellante is bij de toekenningbeschikking gewezen op de verplichting om verantwoording af te leggen. Deze verplichting geldt ook indien de zorg door familie wordt verleend. Appellante en haar dochter hadden hiervan op de hoogte kunnen en moeten zijn. Appellante voert aan dat haar niet verweten kan worden dat zij niet op juiste wijze heeft verantwoord. Haar dochter, die haar administratie doet, heeft door haar persoonlijke situatie de verantwoording niet op juiste wijze gedaan. Deze omstandigheid maakt niet dat geoordeeld kan worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. Appellante heeft gekozen om de zorg in de vorm van een pgb geleverd te krijgen en is gehouden om de verplichtingen die bij de aanvaarding van het pgb behoren, na te komen. Dit uitgangspunt blijft ook overeind als een dochter het beheer van het pgb op zich heeft genomen. Met de medische informatie die appellante heeft overgelegd over de toestand van haar dochter heeft zij voorts niet aannemelijk gemaakt dat de dochter niet in staat was het pgb van haar moeder te beheren. Indien appellante en haar dochter niet in staat waren de verplichtingen na te komen, had het bovendien op hun weg gelegen om de hulp van derden in te roepen.


4.12.

De door appellante overgelegde transactieoverzichten van de rekening van haar dochter en kleinzoon maken voorts niet aannemelijk dat de zorg daadwerkelijk is verleend en welke zorg er is verleend. Gezien het ontbreken van een verantwoording als voorgeschreven in de Regeling is een situatie ontstaan waarin niet volgens de daartoe vastgestelde objectieve criteria is te bepalen of de zorg waarvoor het pgb is verstrekt ook daadwerkelijk is verleend.


4.13.

De Raad is met het Zorgkantoor van oordeel dat er geen sprake is van één kleine onvolkomenheid, waaraan slechts geringe betekenis toekomt, maar dat de aangeleverde stukken diverse gebreken vertonen. Het Zorgkantoor heeft het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante. Dat de verantwoording van het pgb over eerdere jaren is geaccepteerd, leidt niet tot een ander oordeel.


4.14.

Uit de constatering dat niet is gebleken dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, volgt dat het Zorgkantoor € 7.212,82 aan voorschotten onverschuldigd heeft betaald en tot terugvordering daarvan bevoegd was. Appellante heeft verder geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering had kunnen overgaan.


4.15.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2015.




(getekend) S. Aaliouli




(getekend) H.C.P. Venema




NK