Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 13-4028 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1323

Inhoudsindicatie
Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van toegenomen beperkingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
13-4028 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4028 WAO

Datum uitspraak: 24 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 juli 2013, 13/693 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het Uwv is - met bericht van verhindering - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1991 met psychische klachten en diverse lichamelijke klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als nachtportier voor 40 uur per week. Met ingang van 1 maart 1992 is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid.


1.2.

Na een herbeoordeling heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 mei 2008 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 10 juli 2008 ongegrond verklaard. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.


1.3.

Nadat een verzoek om heropening van de WAO-uitkering vanwege toegenomen beperkingen na 28 mei 2008 door het Uwv was afgewezen, welk besluit in bezwaar werd gehandhaafd en in rechte werd bevestigd, heeft appellant zich met ingang van 1 maart 2011 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld met onder meer lage rugklachten, uitstralend naar de beide benen en voeten, hoofdpijn, maagklachten, duizeligheid, oog- en gehoorklachten en psychische problematiek. Met ingang van 1 juni 2011 is appellant hersteld verklaard in het kader van de Ziektewet. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard, welk besluit in rechte stand hield.


1.4.

Ten aanzien van de ziekmelding van 1 maart 2011 heeft het Uwv - in verband met een daartoe strekkend verzoek - appellant na een medisch onderzoek bij besluit van 16 juli 2012 de aanspraak op een WAO-uitkering ontzegd.


1.5.

Bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat met ingang van 1 maart 2011 geen sprake is geweest van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak in de zin van artikel 43a van de WAO, zodat appellant met ingang van 29 maart 2011 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. Daaraan lag een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

3 december 2012 ten grondslag.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat die arts dossierstudie heeft verricht, de hoorzitting heeft bijgewoond en naast het eigen onderzoek ook medische informatie van de behandelend sector bij de beoordeling heeft betrokken.


2.2.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd te kennen heeft gegeven dat de klachten van appellant en de in beroep overgelegde informatie van de behandelend sector geen aanleiding vormen om te concluderen dat vanaf 1 maart 2011 sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak.


3. Het hoger beroepschrift bevat een herhaling van de gronden van bezwaar en beroep.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en heeft met juistheid de conclusies waartoe zij op grond van dat onderzoek zijn gekomen, gevolgd.


4.3.

Met betrekking tot de psychische problematiek heeft appellant zijn standpunt dat sprake is geweest van toegenomen psychische beperkingen gebaseerd op een rapport van

F.A.E. Senders, werkzaam bij Indigo Geestelijke Gezondheid, van 9 december 2008 en op een brief van de aan Altrecht Aventurijn verbonden psychiater J. van Tillo van 30 januari 2012, bij wie appellant sinds enkele maanden onder behandeling was. Senders spreekt over een recidiverende depressie met angst- en spanningsklachten, volgens appellant een toename ten opzichte van een eerder vastgestelde dysthyme stoornis. Van Tillo heeft aangegeven dat appellant reeds jaren bekend is met een veelheid aan klachten die in DSM kunnen worden geclassificeerd onder andere als somatisatie-stoornis, afhankelijkheid van alcohol en stoornis in de impulsbeheersing. De rechtbank heeft terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat uit de overgelegde informatie niet kan worden afgeleid dat met ingang van 1 maart 2011 sprake is geweest van toegenomen psychische beperkingen.


4.4.

Wat betreft de rugklachten wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de bevindingen uit eigen onderzoek tot de conclusie is gekomen dat sprake is geweest van minder vergaande beperkingen dan ten tijde van de eerdere WAO-beoordeling. Appellant heeft geen informatie van de behandelend sector in geding gebracht waaruit blijkt van meer beperkingen rond de datum in geding. De omstandigheid dat een collega verzekeringsarts bezwaar en beroep in een andere procedure (over de aanspraak op een

ZW-uitkering per 1 juni 2011) heeft overwogen dat ten tijde van zijn onderzoek, september 2011, de lichamelijke beperkingen lijken te zijn toegenomen, rechtvaardigt op zich niet de conclusie dat de beperkingen van appellant vanaf 1 maart 2011 zijn toegenomen. Wat betreft de maagklachten blijkt uit informatie van de maag- darm- en levers-arts van 3 december 2012 dat deze arts appellant medio november 2012 voor het eerst heeft gezien. Uit diens rapport kunnen evenmin conclusies worden getrokken met betrekking tot de belastbaarheid van appellant rond de datum in geding. Ten aanzien van de klachten van duizeligheid is geen informatie beschikbaar waarin melding is gemaakt van een toename van die klachten rond de datum in geding. Wat betreft de oogklachten wordt geoordeeld dat uit een brief van de oogarts van 6 november 2011 blijkt dat in 2009, dus na de intrekking van de WAO-uitkering, sprake was van beginnende staar. De hiermee verband houdende beperkingen kunnen daarom in het kader van artikel 43a van de WAO geen rol spelen. Dit geldt ook voor de gehoorproblemen, die blijkens informatie van de KNO-arts van 14 november 2012 zijn ontstaan in september 2009, dus na de periode waarover eerder WAO-uitkering was verstrekt.


4.5.

Uit rechtsoverwegingen 4.2, 4.3 en 4.4. volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) M. Crum




HD