Centrale Raad van Beroep, 08-04-2015 / 13-6936 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1326

Inhoudsindicatie
Intrekking of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen van de subsidieverlening dan wel de subsidievaststelling. De artikelen 4:48 en 4:49 van de Awb houden een discretionaire bevoegdheid in, die uitgeoefend moet worden met inachtneming van het geschreven en ongeschreven recht, waaronder de verplichting tot evenredige belangenafweging. De Raad onderschrijft het standpunt van het Zorgkantoor dat zij het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante. Vast is komen te staan dat appellante niet aan de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft voldaan, waardoor ook niet duidelijk is geworden of en zo ja door wie de zorg is geleverd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-04-29
Zaaknummer
13-6936 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6936 AWBZ

Datum uitspraak: 8 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

18 december 2013, 12/1578 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015.

Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Teunissen en E.P.M. van Dommelen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Het Zorgkantoor heeft appellante bij besluit van 29 oktober 2010 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode van 22 maart 2010 tot en met 31 december 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de door CIZ geïndiceerde zorg voor een bedrag van € 23.003,20.


1.2.

Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 7 februari 2011 het pgb voor 2010 vastgesteld op een bedrag van € 15.450,64.


1.3.

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het Zorgkantoor voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 22 september 2011 appellante een pgb verleend voor de door CIZ geïndiceerde zorg voor een bedrag van € 10.774,46.


1.4.

Op 26 januari 2011 heeft het Zorgkantoor de betalingen van het pgb van appellante opgeschort in het kader van een grootschalig landelijk onderzoek dat is uitgevoerd door een ernstig vermoeden van misbruik van pgb’s.


1.5.

Naar aanleiding van het bij 1.4 genoemde onderzoek heeft CIZ nader onderzoek gedaan naar de voor appellante geïndiceerde zorg en een nieuw indicatiebesluit afgegeven, waarbij de indicatie met ingang van 20 mei 2011 is beëindigd. Naar aanleiding van de gewijzigde indicatie heeft het Zorgkantoor bij besluit van 28 juni 2011 het bij 1.3 verleende pgb gewijzigd in een bedrag van € 5.750,12 voor de periode 1 januari 2011 tot en met 20 mei 2011.


1.6.

Het Zorgkantoor heeft naar aanleiding van het bij 1.4 genoemde onderzoek, nader onderzoek verricht naar het recht op het verleende en vastgestelde pgb van appellante. Bij dat onderzoek is het Zorgkantoor onder meer gebleken dat de zorgverleners [naam A.] en [naam B.], kleinkinderen van appellante, kosten in rekening hebben gebracht over een periode dat appellante was opgenomen in het ziekenhuis. Daarnaast hebben deze zorgverleners kosten in rekening gebracht over een periode waarbij zij in het buitenland verbleven, terwijl appellante in Nederland verbleef. Appellante is bij brief van 25 juli 2011 van de onderzoeksresultaten op de hoogte gebracht en is in een gesprek op 18 oktober 2011 hiermee geconfronteerd. Bij dat gesprek was tevens haar dochter [naam K.] aanwezig. Tijdens het gesprek verklaarden appellante en haar dochter dat niet de kleinkinderen, maar de kinderen, zorg hebben verleend. Niet duidelijk werd door wie daadwerkelijk zorg is verleend. De onderzoeksresultaten en het gesprek op 18 oktober 2011 vormden voor het Zorgkantoor aanleiding om bij besluit van 2 januari 2012 het pgb van appellante met ingang van 22 maart 2010 in te trekken. Het Zorgkantoor heeft tevens het pgb teruggevorderd tot een bedrag van € 26.662,45.


1.7.

Het Zorgkantoor heeft het door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 30 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard op de grond dat appellante het pgb niet heeft gebruikt voor het inkopen van zorg dan wel niet heeft voldaan aan de overige aan het pgb verbonden verplichtingen.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante er niet in geslaagd opheldering te verschaffen en duidelijk te maken dat de toegekende subsidies op de juiste wijze zijn besteed. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante kan worden gehouden aan de verklaringen die appellante en haar dochter hebben afgelegd op 18 oktober 2011. Appellante heeft ervoor gekozen haar dochter mee te nemen naar dit gesprek. Uit het gesprek blijkt niet dat de dochter die het woord deed, mede namens appellante, het Nederlands onvoldoende machtig was. Voor een beperking van de periode waarover het pgb is ingetrokken en de uitgekeerde voorschotten worden teruggevorderd, heeft de rechtbank geen reden gezien.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ (Regeling) de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen. Op grond van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen.


4.2.

Het Zorgkantoor heeft kunnen overgaan tot intrekking van het over 2010 vastgestelde en over 2011 verleende pgb. Na de vaststelling van het over 2010 verleende pgb en voor de vaststelling van het over 2011 verleende pgb is gebleken dat de handtekeningen onder de zorgovereenkomsten en de diverse declaratieformulieren afwijken van de handtekening van appellante op haar paspoort en ID bewijs. Tijdens het gesprek op 18 oktober 2011 heeft appellante hiervoor geen afdoende verklaring kunnen geven. Ook nadien heeft appellante die onduidelijkheid niet weg kunnen nemen. De dochter van appellante heeft tijdens voornoemd gesprek bovendien verklaard dat niet de kleinkinderen die op de zorgovereenkomst als zorgverleners zijn vermeld, zorg hebben verleend, maar dat haar broer en een vriend dit hebben gedaan. Verder is onduidelijk gebleven wie de zorgverleners zijn.


4.3.

Appellante voert aan dat zij niet gehouden kan worden aan de door haar afgelegde verklaring op 18 oktober 2011 en dat het Zorgkantoor een tolk had moeten inschakelen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante haar dochter meegenomen heeft naar het gesprek om als tolk te fungeren. Alvorens het gesprek plaatsvond is appellante er bovendien op gewezen bij brieven van 21 juni 2011 en 25 juli 2011 dat tijdens het gesprek ter sprake zou komen het onderzoek naar misbruik van het pgb. Van te voren was het doel van het gesprek daarom duidelijk. Voorts is niet gebleken dat de dochter de Nederlandse taal onvoldoende machtig was. Er was dan ook geen noodzaak tot het inschakelen van een (professionele) tolk.


4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Zorgkantoor van zijn bevoegdheid om het pgb in te trekken gebruik heeft mogen maken en het onverschuldigd betaalde pgb mocht terugvorderen.


4.5.

De artikelen 4:48 en 4:49 van de Awb houden een discretionaire bevoegdheid in. Het Zorgkantoor moet deze uitoefenen met inachtneming van het geschreven en ongeschreven recht, waaronder de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.


4.6.

De Raad onderschrijft het standpunt van het Zorgkantoor dat zij het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante. De omstandigheid dat appellante stelt dat zij de Nederlandse taal niet machtig is en de ingewikkelde regelgeving niet begreep, maakt dit niet anders. Appellante heeft immers zelf gekozen om de zorg in de vorm van een pgb te ontvangen. Bij de verleningsbeschikking is te kennen gegeven wat in dat geval van haar wordt verwacht. Indien zij dit niet had begrepen, had het op haar weg gelegen om een derde in te schakelen om haar te helpen bij het nakomen van haar verplichtingen. Dat er volgens appellante zorg is geleverd en zij de zorg ook nodig heeft, doet aan het voorgaande eveneens niet af. Vast is komen te staan dat appellante niet aan de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft voldaan, waardoor ook niet duidelijk is geworden of en zo ja door wie de zorg is geleverd.


4.7.

Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.


4.8.

Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak



Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.



(getekend) H.C.P. Venema




(getekend) K. de Jong



NK