Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015 / 13-5943 WIJ


ECLI:NL:CRVB:2015:1354

Inhoudsindicatie
Niet nakomen verplichting mee te werken aan arbeidsinschakeling ogv WIJ en toepassing Maatregelverordening WIJ 2009 gemeente Hoorn. Omdat al eerder een maatregel was opgelegd, had het college een verlaging van 20% voor de duur van vijf maanden kunnen toepassen. Het college heeft in dit geval besloten tot een verlaging van 60% gedurende een maand omdat het bij TOF om een kortdurend traject ging. Ingevolge artikel 41, tweede lid, van de WIJ wordt van een verlaging afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in 1.2 genoemde gedragingen bieden reeds voldoende reden voor het opleggen van de maatregel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-05-06
Zaaknummer
13-5943 WIJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5943 WIJ

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

26 september 2013, 11/3054 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds december 2009 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het college heeft hem in maart 2011 aangemeld voor een traject bij TOF (Trainen, ontwikkelen, functioneren). Het doel van dit traject is uitstroom naar een reguliere arbeidsplaats. Op 16 en 21 maart 2011 is appellant zonder bericht niet op een afspraak bij TOF verschenen. Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het college om die reden een maatregel opgelegd, inhoudende een verlaging van de inkomensvoorziening van appellant met 20% gedurende een maand. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.


1.2.

Op 9 mei 2011 is appellant te laat bij TOF verschenen en op 16 mei 2011 heeft hij zich afgemeld omdat hij een kater had. Deze twee feiten leveren volgens het college twee afzonderlijke verzuimen op, die ieder maatregelwaardig zijn. Bij besluit van 17 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2011 (bestreden besluit), heeft het college de inkomensvoorziening van appellant voor de duur van een maand met 60% verlaagd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant de in artikel 45, aanhef, en onder d, van de WIJ neergelegde verplichting om mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden gericht op zijn arbeidsinschakeling, onvoldoende is nagekomen. In een dergelijk geval kan ingevolge de artikelen 12, eerste lid, aanhef en onder b, en 41 van de WIJ een verlaging op de uitkering worden toegepast, overeenkomstig de verordening. Op grond van de artikelen 4 en 6 van de Maatregelverordening Wet Investeren in Jongeren 2009 van de gemeente Hoorn wordt een verlaging toegepast van 20% voor de duur van een maand bij een eerste verwijtbare gedraging. Bij een tweede en derde verwijtbare gedraging, vertoond binnen twaalf maanden na het eerdere besluit tot verlaging, wordt een verlaging toegepast van 20% voor de duur van respectievelijk twee en drie maanden. Omdat bij besluit van 3 mei 2011 al eerder een maatregel was opgelegd, had het college een verlaging van 20% voor de duur van vijf maanden kunnen toepassen. Het college heeft in dit geval besloten tot een verlaging van 60% gedurende een maand omdat het bij TOF om een kortdurend traject ging.


4.2.

Appellant heeft erkend dat hij op 9 mei 2011 te laat op het werk is verschenen doordat hij de bus had gemist. Hij stelt echter de daarop gevolgde reactie in de vorm van een maatregel overdreven te vinden, omdat een dergelijke situatie iedereen wel eens kan overkomen. Ook heeft appellant aangevoerd dat op 7 april 2011 een gesprek met hem heeft plaatsgevonden, nadat hij de dag daarvoor de bus had gemist en daardoor te laat kwam. Toen heeft zijn leidinggevende gezegd dat hij de twee weken daarna op tijd moest komen. Hij heeft zich daaraan gehouden. Er is toen geen maatregel opgelegd vanwege het te laat komen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij zich vanwege een kater heeft afgemeld. Hij is anders nooit ziek na drankgebruik en hij heeft zich om die reden dan ook nooit eerder afgemeld. Dat de drank een keer verkeerd is gevallen, was een incident. Hij hoefde er geen rekening mee te houden dat hij ziek zou worden.


4.3.

Ingevolge artikel 41, tweede lid, van de WIJ, zoals dat gold ten tijde van belang, wordt van een verlaging afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat appellant zich heeft gehouden aan de afspraak om twee weken niet te laat te komen, betekent niet dat hij daarna wel te laat mocht komen. Ook betekent het feit dat eerder geen maatregel is opgelegd wegens het te laat komen omdat hij de bus had gemist niet dat hem een volgende keer geen maatregel mocht worden opgelegd. Verder heeft appellant met zijn drankgebruik op de avond voorafgaand aan een werkdag het risico genomen dat hij zich de volgende dag zou moeten afmelden. Onder die omstandigheden kan niet gesteld worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Mede gezien het feit dat appellant meerdere keren op zijn gedrag is aangesproken en is gewaarschuwd, maar desondanks zijn gedrag niet heeft aangepast, bieden de in 1.2 genoemde gedragingen reeds voldoende reden voor het opleggen van de maatregel. Dat appellant terecht heeft aangevoerd dat het feit dat het traject bij TOF is beëindigd en hem geen reguliere arbeidsplaats is aangeboden niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het opleggen van de maatregel, omdat dit eerst heeft plaatsgevonden nadat de maatregel is opgelegd, maakt dan ook niet dat het college aanleiding had moeten zien van het opleggen van een maatregel af te zien dan wel de verlaging van de bijstand te matigen.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C. Moustaïne




HD