Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015 / 15-2253 AW-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:1357

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Strafontslag. De conclusie van de rechtbank, dat hetgeen betrokkene wordt verweten in ieder geval niet de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt, komt de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk voor. De voorzieningenrechter ziet daarom in zoverre geen grond voor de verwachting dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en de omstandigheid dat betrokkene een groot belang heeft bij hervatting van haar dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de belangen aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
15-2253 AW-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2253 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (verzoeker)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 28 april 2015

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76) is het college in de plaats getreden van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West van de gemeente Amsterdam (dagelijks bestuur), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van college, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het dagelijks bestuur.

Namens verzoeker heeft mr. S.J. Hauser, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2015, 13/1282 (aangevallen uitspraak).

Namens verzoeker is tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J. Hauser. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. I. Rhodes, advocaat.

OVERWEGINGEN


1. Betrokkene was sinds 1 maart 2001 werkzaam als [naam functie A] bij de afdeling Burgerzaken van het stadsdeel [naam stadsdeel] van de gemeente Amsterdam. In deze functie had zij toegang tot het systeem van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba); zij kon hierin ook mutaties aanbrengen. Op 5 oktober 2011 heeft een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam bij verzoeker gemeld dat betrokkene als verdachte wordt beschouwd in een fraudeonderzoek van de DWI. Betrokkene zou de heer A - de partner van haar zus - toestemming hebben gegeven zich in te laten schrijven op haar woonadres in [woonplaats] in de periode van 29 september 2008 tot 4 mei 2009, terwijl zij wist dat hij feitelijk niet bij haar zou wonen. A zou in deze periode feitelijk hebben gewoond bij de zus van betrokkene, die op dat moment een bijstandsuitkering van de DWI ontving. Op die manier zou betrokkene volgens de DWI hebben meegewerkt aan bijstandsfraude. Naar aanleiding van deze melding van de DWI heeft op 14 november 2011 een gesprek plaatsgevonden tussen betrokkene en haar leidinggevende en een HRM-adviseur. Tevens is aan Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam (Bureau Integriteit) de opdracht gegeven de kwestie te onderzoeken. Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft verzoeker betrokkene de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Na intrekking van eerdere beslissingen op bezwaar van 12 februari 2013 en 28 mei 2013 heeft verzoeker dit ontslag gehandhaafd bij besluit van 4 maart 2014 (bestreden besluit). Aan het ontslag ligt ten grondslag dat betrokkene heeft ingestemd met de inschrijving van A op haar adres, wetende dat hij daar feitelijk niet zou gaan wonen. Hierbij heeft verzoeker zich gebaseerd op het onderzoek van de Sociale Recherche, het onderzoek en het advies van Bureau Integriteit van 23 juli 2012 en het aanvullend advies van Bureau Integriteit van 16 december 2013. Volgens verzoeker heeft betrokkene zich met deze gedraging schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, nu dit in strijd is met de integriteitsregels, in het bijzonder op het punt van inschrijvingen in relatie tot mogelijke bijstandsfraude.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het strafontslag ongegrond is verklaard, en het besluit van 18 oktober 2012 herroepen. De rechtbank heeft hierbij bepaald dat verzoeker vanaf 18 oktober 2012 de bezoldiging aan betrokkene dient te hervatten en dat de uitspraak in de plaats treedt het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat verzoeker de aan betrokkene verweten gedraging van niet integer handelen door betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat niet is komen vast te staan dat betrokkene aldus zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd. Verzoeker was daarom niet bevoegd aan betrokkene een disciplinaire straf op te leggen, laat staan de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag.


3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


3.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


3.2.

De uitspraak van de rechtbank strekt ertoe dat het dienstverband van betrokkene is hersteld. Nu verzoeker dit onaanvaardbaar acht, heeft hij een spoedeisend belang bij opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak.


3.3.

Ter beoordeling staat of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen plaatsvinden. In het kader van het verzoek dat nu voorligt komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.


3.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank op 18 december 2012 uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van de zus van betrokkene (ECLI:NL:RBAMS:2012:8027). De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de in deze zaak beschikbare onderzoeksgegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden om in de periode in geding aan te nemen dat A zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres van de zus van betrokkene, zodat evenmin geconcludeerd kan worden dat de zus van betrokkene en A in die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze uitspraak heeft, nu daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, gezag van gewijsde gekregen. Dit betekent voor de voorliggende procedure dat ervan moet worden uitgegaan dat geen sprake is van bijstandsfraude en dat betrokkene daar ook niet aan heeft meegewerkt.


3.5.

Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het wegvallen van het verwijt van bijstandsfraude geen gevolgen heeft voor de zwaarte van de straf. Betrokkene wordt bij het bestreden besluit verweten dat zij heeft meegewerkt aan een onrechtmatige inschrijving en dat zij hierover geen openheid van zaken heeft gegeven. Verzoeker heeft hiertoe verwezen naar het aanvullend advies van Bureau Integriteit van 16 december 2013. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter er niet van kunnen overtuigen dat de thans nog verweten gedragingen de zwaarste straf van ontslag rechtvaardigen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het niet geven van openheid van zaken in het geheel niet als verweten gedraging aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Verder wordt in het bestreden besluit nog steeds verwezen naar bijstandsfraude, terwijl er gelet op overweging 3.5 in deze zaak van moet worden uitgegaan dat geen sprake is van bijstandsfraude en dat betrokkene daar ook niet aan mee heeft gewerkt en zodoende een essentieel onderdeel van de in het primaire besluit aan betrokkene verweten gedraging is komen te vervallen.


3.6.

In het licht van het voorgaande komt de conclusie van de rechtbank, dat hetgeen betrokkene wordt verweten in ieder geval niet de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt, de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk voor. De voorzieningenrechter ziet daarom in zoverre geen grond voor de verwachting dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden.


3.7.

Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en de omstandigheid dat betrokkene een groot belang heeft bij hervatting van haar dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de belangen aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.


3.8.

Aanleiding bestaat om verzoeker te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 490,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep


- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 490,-.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van

R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) R.G. van den Berg




HD