Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015 / 13-6724 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1360

Inhoudsindicatie
Opschorting en intrekking bijstandsuitkering op grond van artikel 54, vierde lid van de WWB. Appellant heeft verwijtbaar verzuimd binnen de hem bij het opschortingsbesluit gegeven termijn de gevraagde gegevens te verstrekken. Het college was bevoegdheid om op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant in te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
13-6724 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6724 WWB

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 november 2013, 13/1764 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kollumerland c.a. (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Wolde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Vriesema en mr. D. Tilstra.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving vanaf september 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft psychische beperkingen en woont bij zijn moeder. Hij heeft zijn moeder gemachtigd zijn belangen ten aanzien van zijn uitkering te behartigen.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat op naam van appellant een niet aan het college opgegeven rekening bij de SNS bank ([rekeningnummer]) staat geregistreerd, heeft het college appellant bij brief van 3 oktober 2012 verzocht om uiterlijk 17 oktober 2012 kopieën van de bankafschriften van deze rekening over de voorafgaande drie maanden te verstrekken. Appellant heeft aan dit verzoek niet voldaan. Op 23 oktober 2012 heeft de klantmanager eerst getracht appellant telefonisch te bereiken en, omdat zij op zijn telefoonnummer geen gehoor kreeg, daarna de moeder van appellant. Omdat zij op dit nummer ook geen gehoor kreeg, heeft zij een voicemailbericht ingesproken. Hierop is niet gereageerd.


1.3.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2012 onder toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld om op uiterlijk 8 november 2012 de onder 1.2 genoemde bankafschriften te overleggen. Het college heeft appellant hierbij uitdrukkelijk erop gewezen dat bij niet tijdig inleveren van de gevraagde gegevens de bijstand onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB zal worden gestopt (lees: ingetrokken). Appellant heeft op dit verzoek niet gereageerd.


1.4.

Bij besluit van 14 november 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2012 met toepassing - en onder vermelding - van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken.


1.5.

Bij besluit van 16 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2012 ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat - overwogen en geconcludeerd dat appellant verwijtbaar heeft verzuimd binnen de hem bij het opschortingsbesluit gegeven termijn de gevraagde gegevens te verstrekken en dat het college daarom de bevoegdheid toekwam op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2012 in te trekken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat de grondslag van het bestreden besluit onduidelijk is en dat uit de motivering van de intrekking volgt dat die eerder lijkt te berusten op artikel 54, derde lid, van de WWB. Bij een heroverweging van een intrekking op grond van dit artikel had in bezwaar alsnog inhoudelijk gekeken moeten worden naar de op

2 december 2012 door appellant ingeleverde bankafschriften. Deze grond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in de besluiten van 25 oktober 2012 en 14 november 2012 en in het bestreden besluit uitdrukkelijk is overwogen dat op grond van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant eerst is opgeschort en vervolgens ingetrokken.


4.2.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten.


4.3.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.


4.4.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat appellant tegen het opschortingsbesluit van

25 oktober 2012 geen rechtsmiddel heeft aangewend. De moeder van appellant heeft weliswaar op 16 november 2012 een brief aan haar klantmanager en op 22 november 2012 een brief aan wethouder K. Antuma gestuurd, maar het college heeft terecht beide brieven niet aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 25 oktober 2012. Daarbij is van belang dat onder het besluit van 25 oktober 2012 de juiste bezwaarclausule is opgenomen. De moeder van appellant heeft desondanks haar brief van 16 november 2012 gericht aan haar klantmanager en de brief van 22 november 2012 aan voornoemde wethouder. Voorts heeft zij in beide brieven geen melding gemaakt van het besluit van 25 oktober 2012 noch de inhoud hiervan omschreven dan wel dit besluit meegestuurd. Bovendien heeft zij in haar brief van

22 november 2012 uitdrukkelijk vermeld dat deze brief het zeer nalatig en schadelijk handelen van een medewerker van de sociale dienst betrof.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54,

vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan appellant verleende bijstand, staat ter beoordeling of appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellant niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 2 juni 2009, ECLI:CRVB:2009:BI8387.


4.6.

Niet in geschil is dat de door het college bij besluit van 25 oktober 2012 aan appellant gevraagde bankafschriften gegevens zijn die van belang zijn voor de verlening van bijstand. Verder staat vast dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, noch zijn moeder, in staat waren binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens over te leggen. De detentie van de moeder van 5 november 2012 tot en met 9 november 2012 kan hiertoe niet dienen, nu de hersteltermijn immers een ruimere periode bestreek dan deze detentieperiode.


4.7.

Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2012 in te trekken. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Omdat appellant zijn belangen niet goed kan behartigen heeft hij een derde ingeschakeld voor hulp hierbij. Het komt dan voor zijn risico als deze derde zijn belangen - zoals hij heeft betoogd - niet naar behoren behartigt. Overigens heeft het college - volgens de gedingstukken - met zijn situatie rekening gehouden door te trachten hem en zijn moeder telefonisch te bereiken alvorens over te gaan tot opschorting van de bijstand van appellant en niet onmiddellijk na het verstrijken van de in het opschortingsbesluit gestelde termijn de bijstand in te trekken.


4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd wordt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is

uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) C.M. Fleuren




HD