Centrale Raad van Beroep, 29-04-2015 / 14-182 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:1368

Inhoudsindicatie
Beëindiging pgb voor hulp bij het huishouden. Geen medische noodzaak. Uit het medisch advies van de GGD blijkt dat appellante in staat was om met inachtneming van haar beperkingen alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden in eigen tempo en verdeeld over de week zelf uit te voeren. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat dit standpunt niet juist is.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
14-182 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/182 WMO

Datum uitspraak: 29 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

2 december 2013, 12/1409 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M.J.J. Dewarrimont, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dewarrimont. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. Sangster.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 1 januari 2008 tot en met

31 december 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor hulp bij het huishouden voor 4,5 uur per week.


1.2.

In verband met wijzigingen in de gemeentelijke regelgeving van de normering van hulp bij het huishouden heeft het college bij besluit van 30 november 2011 de einddatum, genoemd in het besluit van 1 oktober 2007, gewijzigd en bepaald dat de in dat besluit toegekende hulp bij het huishouden eindigt op 31 december 2011. Voorts heeft het college appellante, in afwachting van een extern advies van de GGD, voor de periode van 1 januari 2012 tot en met uiterlijk 29 februari 2012, in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden gedurende

2 uur en 20 minuten per week.


1.3.

Bij besluit van 29 februari 2012 heeft het college de aan appellante toegekende voorziening van een pgb voor hulp bij het huishouden met ingang van 29 februari 2012 beëindigd. Hieraan ligt ten grondslag dat het college appellante in staat acht om alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden in eigen tempo en verdeeld over de week zelf uit te voeren.


1.4.

Bij besluit van 16 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 februari 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om te vermoeden dat het onderzoek door de GGD niet zorgvuldig is geweest. Appellante is gezien door de GGD-arts op het spreekuur en de GGD-arts heeft alle, ten tijde van het bestreden besluit beschikbare, medische informatie met betrekking tot appellante in haar oordeel betrokken. De rechtbank was voorts van oordeel dat de door appellante overgelegde informatie geen aanleiding geef voor twijfel aan de conclusie van de GGD-arts dat appellante ten tijde van het bestreden besluit in staat wordt geacht alle huishoudelijke werkzaamheden, in eigen tempo en verdeeld over de week, uit te voeren. Daarmee is niet gezegd dat appellante niets zou mankeren en geen beperkingen zou ondervinden, maar wel dat zij geen medisch objectiveerbare beperkingen kent die maken dat zij niet (meer) in staat is haar huis schoon te houden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze vaststelling van de GGD-arts onjuist is. Dat appellante eerder wel in aanmerking is gebracht voor hulp bij het huishouden betekent niet dat de voorziening gecontinueerd moet worden. Destijds was sprake van andere persoonlijke omstandigheden, een ander toetsingskader en uit het dossier blijkt dat destijds geen medische beoordeling heeft plaatsgevonden.


3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de bevindingen van GGD-arts H.T.L. Budy niet stroken met de werkelijkheid. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een brief overgelegd van 20 november 2013 van internist hemato-oncoloog dr. O. Soepenberg. Appellante stelt dat zij lijdt aan een ernstige, pijnlijke, invaliderende en zeldzame immuunziekte, lichen planes. Door deze ziekte zijn de slijmvliezen in haar hele lichaam aangetast. Door de aantasting van haar slokdarm is appellante aangewezen op vloeibaar voedsel. Appellante stelt ten gevolge van haar klachten niet in staat te zijn het huishouden te doen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd vormt in grote lijnen een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De Raad ziet in de aangevoerde gronden geen reden om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen.


4.2.

Voor zover gezegd zou moeten worden dat het medisch advies van GGD-arts Budy dat ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 29 februari 2012 niet voldoet aan alle daaraan te stellen eisen, is dit in bezwaar hersteld. Uit het rapport van Budy van 11 juli 2012 blijkt dat haar oordeel in bezwaar is gebaseerd op haar onderzoeksbevindingen tijdens het spreekuurbezoek op 1 december 2011, aangevuld met een brief van de huisarts van appellante van 3 juni 2012 en de daarbij meegestuurde “recente correspondentie van alle disciplines”. Met deze informatie mag Budy in staat worden geacht te beoordelen of appellante met haar beperkingen in staat was alle huishoudelijke werkzaamheden in eigen tempo en verdeeld over de week uit te voeren.


4.3.

Het college heeft voorts genoegzaam gemotiveerd dat een noodzaak ontbreekt om appellante te compenseren door middel van het toekennen van hulp bij het huishouden, aangezien uit het medisch advies van Budy blijkt dat appellante in staat was om met inachtneming van haar beperkingen alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden in eigen tempo en verdeeld over de week zelf uit te voeren. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat dit standpunt van Budy niet juist is.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.












BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2015.



(getekend) R.M. van Male




(getekend) I. Mehagnoul



NK