Centrale Raad van Beroep, 30-04-2015 / 14-510 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1374

Inhoudsindicatie
Strafontslag wegens plichtsverzuim. Vaststaat dat appellante bij de ING-bank een hypotheekaanvraag heeft gedaan, vergezeld van een werkgeversverklaring, afschriften van haar ABN/AMRO-rekening en salarisspecificaties, welke documenten alle op zodanige wijze zijn vervalst dat daaruit niet is af te leiden dat ten laste van appellante loonbeslag is gelegd. Appellante heeft willens en wetens gebruik gemaakt van de vervalste documenten met als doel om de ING-bank in onwetendheid te laten over het loonbeslag en zo de door haar gewenste hypotheek te verkrijgen. De aard en ernst van de frauduleuze gedragingen rechtvaardigen de disciplinaire straf van ontslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-30
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
14-510 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/510 AW

Datum uitspraak: 30 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van13 december 2013, 13/5224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval mede verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Namens appellante heeft mr. B.M. van Kerkvoorden hoger beroep ingesteld.

Mr. R.S. Sewdajal, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.G.L. van de Beek, R.P. Pijning en D.P.L. Senneker.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was sinds 1 januari 1991 werkzaam bij het ministerie van Justitie, laatstelijk in de functie van [naam functie A] bij de Dienst [naam dienst] ([dienst]). De [dienst] is met het aantreden van kabinet Rutte I op 14 oktober 2010 overgegaan van het ministerie van Justitie naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en vervolgens met het aantreden van kabinet Rutte II op 5 november 2012 naar het ministerie van Veiligheid en Justitie.

1.2.

Op 30 maart 2011 heeft appellante via P-Direkt verzocht om een werkgeversverklaring in verband met een hypotheekaanvraag. Naar aanleiding van die aanvraag heeft haar leidinggevende (D), na overleg met personeelszaken, aan haar meegedeeld dat het verstrekken van een werkgeversverklaring met een daarop vermeld loonbeslag geen zin heeft, omdat een loonbeslag aan het verstrekken van een hypotheek in de weg staat. Hierop is de aanvraagprocedure beëindigd.


1.3.

Op 9 maart 2012 is D door de ING-bank om informatie gevraagd naar aanleiding van het gebruik van vervalste documenten bij een hypotheekaanvraag van appellante.


1.4.

Na onderzoek door D en een gesprek met appellante op 16 april 2012 is het Bureau Veiligheid en Integriteit verzocht een disciplinair onderzoek te verrichten. De resultaten van dit disciplinaire onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 juni 2012 en een aanvullend rapport van 17 augustus 2012.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor de minister aanleiding geweest om appellante bij besluit van 22 augustus 2012 met toepassing van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 23 augustus 2012 te schorsen, onder inhouding van één derde van de bezoldiging op grond van artikel 92,

eerste lid, van het ARAR.


1.6.

Tevens heeft de minister bij afzonderlijke brief van 22 augustus 2012 zijn voornemen geuit om appellante met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR met ingang van 15 september 2012 de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. De minister heeft aan zijn voornemen het volgende plichtsverzuim door appellante ten grondslag gelegd:a. het willens en wetens overleggen van vervalste stukken bij de hypotheekaanvraag van appellante met (netto) salarisgegevens die in strijd zijn met de waarheid om zo de ING-bank te misleiden en een hypotheek van deze bank te verkrijgen, die appellante anders zeer waarschijnlijk niet zou hebben verkregen;b. het gebruik maken van bedrijfsmiddelen voor deze frauduleuze handelingen waaronder een officiële stempel van de [dienst], de werkmailaccount van appellante en de multifunctional ‘Xerox WorkCentre 7346’;c. het vervalsen, of met medewerking van appellante, laten vervalsen van een werkgeversverklaring gedateerd 4 juli 2011 en dagafschriften van de privé bankrekening bij ABN/AMRO met salarisbijschrijvingen evenals maandelijkse salarisspecificaties ter zake de periode februari tot en met juli 2011.Met dit plichtsverzuim heeft appellante volgens de minister het aanzien van de [dienst], en in het algemeen de Rijksoverheid, op grove wijze aangetast en haar ambtelijke integriteit onherstelbaar beschadigd. De minister kwalificeert het plichtsverzuim als zeer ernstig, rekent het plichtsverzuim volledig aan appellante toe en acht het strafontslag evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.


1.7.

Nadat appellante haar zienswijze had gegeven, heeft de minister bij besluit van

10 september 2012, overeenkomstig zijn voornemen, aan appellante strafontslag opgelegd.


1.8.

Bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen het schorsingsbesluit van 22 augustus 2012 en het ontslagbesluit van 10 september 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover die betrekking heeft op het ontslag van appellante.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.


4.2.

Vast staat en niet in geschil is dat appellante medio 2011 bij de ING-bank een hypotheekaanvraag heeft gedaan, vergezeld van een werkgeversverklaring, afschriften van haar ABN/AMRO-rekening en salarisspecificaties, welke documenten alle op zodanige wijze zijn vervalst dat daaruit niet is af te leiden dat ten laste van appellante loonbeslag is gelegd. Ten aanzien van de bankafschriften heeft appellante tijdens de hoorzitting op 21 maart 2013 erkend dat zij zelf de bankafschriften heeft vervalst. Appellante heeft willens en wetens gebruik gemaakt van de vervalste documenten met als doel om de ING-bank in onwetendheid te laten over het loonbeslag en zo de door haar gewenste hypotheek te verkrijgen.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat appellante zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen en zich verwijtbaar heeft schuldig gemaakt aan de in 1.6 onder a en c omschreven gedragingen. De minister was op grond van deze gedragingen bevoegd om appellante de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

4.4.

Appellante heeft haar geuite vermoeden dat D betrokken is geweest bij het vervalsen van de werkgeversverklaring om haar ‘eruit te werken’ op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Hierbij komt dat, daargelaten wie het stempel heeft geplaatst, het appellante zelf is geweest die willens en wetens gebruik heeft gemaakt van de vervalste werkgeversverklaring bij de indiening van haar hypotheekaanvraag.

4.5.

De aard en ernst van de in 1.6 onder a en c omschreven frauduleuze gedragingen van appellante rechtvaardigen de disciplinaire straf van ontslag. De niet nader onderbouwde stelling van appellante dat het integriteitsbeleid niet is toegepast in een ander, door haar als ‘seksschandaal’ aangeduid, geval, kan aan dit oordeel niet afdoen.


4.6.

De minister heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat, ook indien alleen voor de in

1.6

onder a en c genoemde gedragingen voldoende feitelijke grondslag zou bestaan, hij appellante strafontslag zou hebben opgelegd. In aanmerking genomen het onder 4.5 gegeven oordeel van de Raad brengt dit mee dat de vraag of appellante zich ook schuldig heeft gemaakt aan alle in 1.6 onder b genoemde gedragingen - appellante ontkent dat ten aanzien van de vervalste werkgeversverklaring door haarzelf gebruik is gemaakt van het officiële stempel van [dienst] - buiten bespreking kan blijven.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) M.S. Boomhouwer



HD