Centrale Raad van Beroep, 30-04-2015 / 14-1432 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1377

Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard. Nu gesteld, noch gebleken is dat betrokkene eerst minder dan een jaar voor de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-30
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
14-1432 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1432 AW

Datum uitspraak: 30 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 november 2005, 03/5506 AW, 03/5507 AW, 04/313 AW

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden (erven) van [Betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], Thailand

het College van Bestuur van de [naam universiteit] (college)

PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft op 6 maart 2014 gevraagd om herziening van de bovenvermelde uitspraak van de Raad.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 november 2014 heeft de echtgenote van betrokkene bericht dat betrokkene op 25 augustus 2014 is overleden. De erven hebben de procedure voortgezet.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 19 maart 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.


1.2.

Betrokkene was vanaf 1988 werkzaam bij de [naam universiteit], laatstelijk bij de Faculteit [naam faculteit]. Bij besluit van 15 juli 2002, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2003 (ontslagbesluit), heeft het college betrokkene met ingang van 18 juli 2002 disciplinair ontslag verleend.


1.3.

Bij uitspraak van 23 september 2003, 03/1065 AW, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda het beroep tegen het ontslagbesluit gegrond verklaard en het besluit van 12 maart 2003 wegens onzorgvuldige voorbereiding vernietigd, met opdracht aan het college om een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak hebben betrokkene en het college hoger beroep ingesteld.


1.4.

Ter uitvoering van de uitspraak van 23 september 2003 heeft het college op 23 december 2003 een nieuw besluit genomen. Daarbij is het disciplinair ontslag gehandhaafd.


1.5.

Bij de uitspraak van 24 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU7813, waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda bevestigd en het beroep tegen het besluit van 23 december 2003 ongegrond verklaard. De Raad heeft vastgesteld dat betrokkene zich tijdens gebeurtenissen in 1996, 1999 en 2002, kort samengevat, heeft schuldig gemaakt aan ongewenste seksuele toenadering tot studentes. De Raad heeft verder de opvatting van het college onderschreven dat gelet ook op het herhaald karakter van de plichtsverzuimen, deze zo ernstig zijn dat betrokkene niet als [naam functie] met individuele begeleidingstaken kon worden gehandhaafd. De Raad heeft daarom de oplegging van de zwaarste straf gerechtvaardigd, en niet onevenredig aan het begane plichtsverzuim geacht.


2. Aan het verzoek om herziening is, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de toenmalige advocaat van betrokkene, mr. J.C. van der Tak, de belangen van betrokkene destijds niet goed heeft behartigd. Mr. Van der Tak heeft betrokkene destijds geadviseerd om ter zitting van de Raad van 20 oktober 2005 zo min mogelijk zelf naar voren te brengen en de woordvoering aan zijn raadsman over te laten. Mr. Van der Tak heeft ter zitting van de Raad echter nauwelijks iets naar voren gebracht, zodat veel feiten en omstandigheden onderbelicht zijn gebleven. Naast dit “vreemde gedrag” van mr. Van der Tak kort voor en tijdens de zitting in hoger beroep heeft betrokkene gewezen op een “hele serie feiten en omstandigheden in de periode liggend tussen […] januari 2002 en […] juni 2002, die te denken geven.”


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


3.2.1.

Zoals de Raad eerder - in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (grote kamer) van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:308, en het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:357 - heeft overwogen (uitspraak van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055) moet in het belang van de rechtseenheid worden vooropgesteld dat van degene die om herziening verzoekt mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.


3.2.2.

Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.


3.2.3.

De hiervoor in 3.2.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.2.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.


3.3.

Deze zaak heeft geen betrekking op een uitspraak over een bestuurlijke boete. Nu gesteld, noch gebleken is dat betrokkene eerst minder dan een jaar voor de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden met de daarin gestelde, onder 2 samengevat weergegeven, feiten en omstandigheden, moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.


3.4.

Uit wat onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen volgt dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) S.W. Munneke




HD