Centrale Raad van Beroep, 30-04-2015 / 14-219 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1379

Inhoudsindicatie
1) Buitenfunctiestelling en schorsing. Concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim. Voldoende motivering. 2) Strafontslag. Ernstig plichtsverzuim bestaande uit 1) misbruik van inloggegevens en oneigenlijk gebruik van gegevens voor persoonlijke doeleinden, en 2) het in een Whatsapp bericht in strijd met de waarheid de indruk wekken dat hij als politieambtenaar op de hoogte was van de zaak van E en daarbij bewust onjuiste informatie heeft verstrekt waardoor B, I en E ernstig verontrust zijn geraakt. Strafontslag is evenredig aan verzuim. Aan politieambtenaren mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-30
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
14-219 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/219 AW, 14/220 AW

Datum uitspraak: 30 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 december 2013, 13/4147 en 13/4969 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft W.J.M.M. van Meer hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door Van Meer. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Schoeree en H.O. Lammers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 oktober 1982 aangesteld als ambtenaar van politie, laatstelijk in de functie van [naam functie A] bij de divisie [naam divisie] van thans de regionale eenheid [naam eenheid].


1.2.

Op 11 september 2012 hebben de zussen B en I bij de inspecteur van (destijds) de regiopolitie [naam regio] melding gemaakt van ongewenst (sms) contact tussen appellant en E, de dochter van I. Naar aanleiding van dit gesprek is een disciplinair onderzoek naar appellant ingesteld. Blijkens het rapport van 12 februari 2013 hebben appellant en B elkaar op 24 juli 2012 de volgende Whatsapp-berichten gestuurd:

(B) “Ik ben net thuis . Heb gister E te logeren gehad wil je vragen om haar niet meer zo te benaderen wat je afgelopen week gedaan heb, ze voelt zich daar niet fijn bij, heeft jou ook verwijderd op fb en zegt dat ze mij iedere sms doorstuurd die jij haar stuurd over glijbanen etc x b”

(Appellant) “Dat heeft een dubbele bodem B omdat de verdachten weer vrij zijn en naar haar op zoek zijn. Ik heb contact met de rechercheurs en had vandaag een gesprek met jeugd en zeden geregeld in [plaatsnaam] als ze vandaag mee zou gaan naar de kermis daar of volgende week in Lommel of Geleen als ze daar was voor een lunch met (…) en mij. Doorgestoken kaart dus om dat buiten haar moeder en haar vriend te doen maar ik kan niet alles vertellen. Zeker niet als je zo dicht bij I staat. En haar vriend hoeft hier ook niets van te weten. Soms zijn dingen niet zoals ze lijken B. Dikke kus N. Dus alle beste bedoelingen met E voor haarzelf en haar toekomst als 20 jairige en nos steeds heel labiel…Helaas is dat zo en I ziet dat niet en heeft alleen oog voor haarzelf haar woning en de jongste. Helaas is dat de waarheid. X Wil je daar een op reageren schoonheid. Dikke kus. X”


1.3.

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de korpschef appellant in afwachting van verdere besluitvorming per direct buiten functie gesteld, een contact- en berichtgevingsverbod opgelegd en hem de toegang tot de bij de politie in gebruik zijnde gebouwen en/of terreinen ontzegd.


1.4.

Bij besluit van 2 april 2013 is appellant geschorst onder verwijzing naar het bij brief van dezelfde datum geuite voornemen tot oplegging van de straf van ontslag met onmiddellijke tenuitvoerlegging.

1.5.

Bij besluit van 24 juni 2013 (bestreden besluit 1) is aan appellant - voor zover van

belang - de straf van ontslag met onmiddellijke tenuitvoerlegging opgelegd. De korpschef heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, waarbij hem concreet wordt verweten dat:

hij op 18 maart 2011 misbruik heeft gemaakt van de inloggegevens van collega K om E in het systeem Blue View na te trekken en deze login bovendien oneigenlijk heeft gebruikt voor persoonlijke doeleinden;

hij in het bericht aan B van 24 juli 2012 in strijd met de waarheid heeft doen laten voorkomen dat hij om zakelijke redenen contact zocht met E, terwijl hij met de zaak waar E als slachtoffer bij betrokken was nimmer enige zakelijke bemoeienis heeft gehad, er geen sprake was van verdachten op vrije voeten en bovendien is gebleken dat hij om persoonlijke redenen met E contact zocht.

Tegen bestreden besluit 1 heeft appellant met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep ingesteld.


1.6.

Bij besluit van 15 juli 2013, aangevuld bij besluit van 2 september 2013 (samen bestreden besluit 2) zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 21 maart 2013 en 2 april 2013 gegrond verklaard voor zover daaraan een deugdelijke motivering ontbrak, is dit motiveringsgebrek hersteld en zijn de rechtsgevolgen in stand gelaten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat op grond van het disciplinair onderzoek een voldoende concrete en ernstige verdenking van plichtsverzuim bestond om over te kunnen gaan tot het treffen van de ordemaatregelen van buitenfunctiestelling en schorsing. Appellant is volgens de rechtbank uitvoerig verhoord en heeft daarbij de gelegenheid gehad om te reageren op de verklaringen van B en I. Over het strafontslag heeft de rechtbank overwogen dat de korpschef de verweten gedragingen terecht heeft aangemerkt als ernstig plichtsverzuim en dat de opgelegde straf niet onevenredig is aan dit plichtsverzuim.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Buitenfunctiestelling en schorsing 3.1.1. Appellant betoogt dat de besluiten tot buitenfunctiestelling en schorsing onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd en dat de korpschef bij de voorbereiding van deze besluiten niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.


3.1.2.

Dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer hem door het bevoegd gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld en kan hij, in afwachting van de schorsing, buiten functie worden gesteld. Het gaat hier dus om de bevoegdheid van een bestuursorgaan om een ordemaatregel te treffen. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraken van de Raad van

7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3512, en van 24 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2183) is een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zo zeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen. Het vermoeden dat aanleiding gaf tot buitenfunctiestelling en schorsing, te weten de uitkomsten van het disciplinair onderzoek en het vervolgens geuite voornemen tot strafontslag, is voldoende concreet beschreven.


3.1.3.

Voor zover appellant betoogt dat de korpschef was gehouden om voorafgaand aan de besluiten tot buitenfunctiestelling en schorsing een voornemen daartoe bekend te maken en appellant in staat te stellen zijn zienswijze kenbaar te maken, is de Raad met verwijzing naar vaste rechtspraak (zie de uitspraken van de Raad van 28 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9839, en van 16 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8683) van oordeel dat, voor zover de korpschef hierdoor zou hebben gehandeld in strijd met

artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit gebrek in bezwaar voldoende is geheeld. Dat appellant in zijn verdediging zou zijn geschaad doordat hij direct moest stoppen met zijn opleiding, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, ziet de Raad niet in. Appellant heeft hierover in zijn bezwaarschrift gericht tegen de buitenfunctiestelling en in latere stukken of hoorgesprekken niets aangevoerd en had dat wel kunnen doen.


Strafontslag


3.2.1.

Gelet op de resultaten van het disciplinair onderzoek is aannemelijk dat appellant zich heeft gedragen op een wijze als hem door de korpschef zoals in 1.5 is weergegeven is verweten. Deze gedragingen zijn aan te merken als plichtsverzuim. De korpschef kwam dan ook de bevoegdheid toe appellant disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim.


3.2.2.

Appellant erkent de gedragingen, maar betoogt dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het plichtsverzuim. Hierbij doet appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel met verwijzing naar een besluit van de korpschef van 29 augustus 2013 tot voorwaardelijk strafontslag van politieambtenaar M wegens oneigenlijk gebruik van de politiesystemen. Daarnaast wijst hij erop dat de korpschef in eerste instantie voornemens was voorwaardelijk strafontslag op te leggen gelet op het aan het landelijk strafmaatoverleg (SMO) voorgelegde voornemen. Dat de korpschef van het SMO geen verslag of stukken heeft overgelegd acht appellant in strijd met het motiveringsbeginsel en goed werkgeverschap. Tot slot verwijst appellant naar een noot bij de uitspraak van de Raad van 30 maart 1995 (ECLI:NL:CRVB:1995:AK5991) waaruit volgens hem volgt dat ernstig plichtsverzuim met voorwaardelijk ontslag bestraft dient te worden.


3.2.3.

Dit betoog slaagt niet. Gelet op de ernst van de onder 1.5 genoemde verweten gedragingen is de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan dit verzuim. Aan politieambtenaren mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld; ook handelen buiten werktijd kan onder omstandigheden strijdig zijn met wat een goed ambtenaar betaamt. Appellant heeft met het versturen van het Whatsapp-bericht aan B in strijd met de waarheid de indruk gewekt dat hij als politieambtenaar op de hoogte was van de zaak van E en heeft daarbij bewust onjuiste informatie verstrekt waardoor B, I en E ernstig verontrust zijn geraakt. Appellant had zich van dit effect bewust moeten zijn en had het bericht om die reden niet mogen verzenden. De door appellant daarover gegeven verklaring, inhoudende dat hij het bericht louter had gestuurd vanwege het jaloerse gedrag van B, acht de Raad niet geloofwaardig. Voorts heeft appellant het systeem Blue Vieuw geraadpleegd met gebruikmaking van inloggegevens van zijn collega en verzuimd hiervan melding te maken.

Dat appellant zijn geheimhoudingsplicht niet heeft geschonden door na de raadpleging van Blue View niets tegen B en I te zeggen over de zaak van E, maakt niet dat geen sprake is van plichtsverzuim. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant door zijn gedragingen het vertrouwen dat de burger in de politie mag stellen ernstig beschaamd en daarmee de voor zijn functie vereiste betrouwbaarheid en integriteit ondermijnd. De langdurige, onberispelijke staat van dienst van appellant en de omstandigheid dat hij een financieel belang heeft bij voortzetting van zijn dienstverband leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

3.2.4.

Ter zitting heeft de korpschef verduidelijkt dat het SMO sinds de invoering van de landelijke politie per 1 januari 2013 is ingesteld met als doel intern (meer) eenheid te brengen in de landelijk op te leggen disciplinaire straffen en de korpschef conform het advies van het SMO is overgegaan tot het opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag. Dat er van dit interne beraad geen stukken zijn overlegd, is niet onzorgvuldig. Van strijd met goed werkgeverschap is evenmin sprake.


3.2.5.

Het enkele gegeven dat de korpschef appellants plichtsverzuim als ernstig en niet als zeer ernstig heeft gekwalificeerd leidt niet tot een ander oordeel. De kwalificatie van plichtsverzuim als zodanig is niet bepalend voor de vraag of onvoorwaardelijk ontslag evenredig is.


4. Het hoger beroep kan gelet op het voorgaande niet slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en C.H. Bangma en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2015.




(getekend) J.N.A. Bootsma




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD