Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015 / 13-6684 WWB-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1383

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Afwijzing bijstandsaanvraag. Vermogen. Bezit auto. Gewijzigde tenaamstelling. Meerdere periodes: het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant ook in de tweede periode over de auto kon beschikken. Opdracht herstel gebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
13-6684 WWB-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/201
Uitspraak

13/6684 WWB-T

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 8 november 2013, 13/5985 en 13/5158 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Namaki. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. de Roder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 11 september 2012 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) blijkt dat van 9 april 2002 tot 22 oktober 2012 op naam van appellant een [merk auto], bouwjaar 1960 (auto) stond geregistreerd. Op 22 oktober 2012 is de auto overgeschreven op naam van de moeder van appellant. De waarde van de auto bedroeg in september 2012 € 12.000,- tot € 13.000,-.


1.2.

Bij besluit van 21 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant als eigenaar van de auto wordt beschouwd en daarmee beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.


2. Bij de aangevallen uitspaak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit deels vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat deel van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, samengevat, overwogen dat de auto vanaf 22 oktober 2012 niet meer tot het vermogen van appellant kan worden gerekend omdat de auto vanaf deze datum niet langer op zijn naam stond. Het bestreden besluit berust in zoverre op een verkeerde grondslag. Nu de auto tien jaar op naam van appellant heeft gestaan en hangende de bijstandsaanvraag aan zijn moeder is overgedragen, ligt het op de weg van appellant om met controleerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken onder welke voorwaarden de auto op naam van de moeder is gezet. Daarbij is ook van belang dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de auto tot 22 oktober 2012 op zijn naam heeft gestaan, terwijl zijn vader volgens appellant de eigenaar van de auto zou zijn. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten omdat het recht op bijstand gezien de vermelde feiten in onderlinge samenhang bezien niet kan worden vastgesteld.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat de auto van zijn vader is. De vader van appellant heeft de auto slechts tijdelijk op naam van appellant gezet vanwege het feit dat hij mogelijke conservatoire beslaglegging op de auto wilde voorkomen. De vader van appellant is eigenaar van de auto gebleven. De auto is op 22 oktober 2012 op naam van de moeder van appellant gezet, maar daarbij is de auto om niet overgedragen. Er is geen sprake van een opbrengst van een verkochte auto en appellant heeft niet beschikt over enige inkomsten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 11 september 2012 tot en met 21 maart 2013.


4.2.

Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.3.

Gelet op de gewijzigde tenaamstelling van de auto per 22 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht aanleiding gezien om onderscheid te maken tussen de periode van 11 september 2012 tot en met 21 oktober 2012 (eerste periode) en de periode van 22 oktober 2012 tot en met 21 maart 2013 (tweede periode).


4.4.

Met betrekking tot de eerste periode heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de auto niet tot zijn, maar tot het vermogen van zijn vader behoorde. Zijn stelling dat de auto slechts tijdelijk en enkel ter voorkoming van conservatoir beslag door zijn vader op zijn naam is gezet, heeft hij alleen onderbouwd met een schriftelijke verklaring van zijn vader. Deze verklaring is echter ontoereikend om uit af te leiden dat de vader van appellant de eigenaar van de auto was. Appellant heeft feitelijk beschikt over de auto en heeft verklaard daarmee in en rond de stad te hebben gereden. De stelling dat de vader de eigenaar van de auto was en dat de tenaamstelling ter voorkoming van conservatoir beslag heeft plaatsgevonden, is bovendien op geen enkele wijze met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Het college heeft de auto daarom terecht tot het vermogen van appellant gerekend.


4.5.

In de hier aan de orde zijnde tweede periode staat het kenteken van de auto geregistreerd op naam van de moeder van appellant. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

21 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2933) geldt de in 4.2 genoemde vooronderstelling evenzeer in een geval waarin de auto op naam van een ander dan de bijstandsgerechtigde staat. Het is dan aan het bijstandsverlenend orgaan om aannemelijk te maken dat de bijstandsgerechtigde over die auto kan beschikken, in die zin dat hij het gebruik of de (verkoop-)waarde daarvan kan aanwenden tot bestrijding van de noodzakelijke kosten van het bestaan.


4.6.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ook in de tweede periode over de auto kon beschikken op een wijze als bedoeld in 4.5. Het college heeft naar het feitelijk gebruik van de auto en de betaling van de vaste lasten van de auto in deze tweede periode geen onderzoek gedaan, noch feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die weerlegging van de in 4.5 bedoelde vooronderstelling rechtvaardigen.


4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het bestreden besluit, voor zover het de periode van 22 oktober 2012 tot en met 21 maart 2013 betreft, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet draagkrachtig is gemotiveerd. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dan ook op juiste gronden het bestreden besluit vernietigd. Vervolgens moet worden bezien of de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen in stand te laten.


4.8.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het college te kennen gegeven de door de voorzieningenrechter van de rechtbank genoemde grondslag om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, te weten dat het recht op bijstand niet is vast te stellen als gevolg van de onduidelijkheid ten aanzien van de overschrijving van de auto, te onderschrijven. Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft overwogen, maakt het feit dat de auto tot 22 oktober 2012 wel tot het vermogen van appellant moet worden gerekend, niet dat er ten aanzien van het vermogen van appellant in de tweede periode zodanige onduidelijkheid bestaat dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft immers onbetwist verklaard dat de overschrijving van het kenteken van de auto op naam van zijn moeder om niet heeft plaatsgevonden. Dat na de vermogensoverdracht aan zijn moeder in de tweede periode het recht op bijstand niet zou zijn vast te stellen wegens onduidelijkheid ten aanzien van het vermogen van appellant, berust dan ook op een ontoereikende motivering.


4.9.

Uit 4.6 en 4.8 volgt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in dit geval niet in stand kunnen worden gelaten en dat de Raad evenmin zelf in de zaak kan voorzien. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:80a in samenhang met artikel 8:108 van de Awb het college op te dragen om, voor zover het bestreden besluit is vernietigd, een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2013 te nemen met in achtneming van wat de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 12 juli 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) R.G. van den Berg




HD