Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015 / 13-5013 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1392

Inhoudsindicatie
Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Indeling in arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80%. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, is de Raad van oordeel dat in de arbeidskundige rapporten toereikend is gemotiveerd dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. De signaleringen zijn naar behoren gemotiveerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-28
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
13-5013 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5013 WIA

Datum uitspraak: 28 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2013, 12/2793 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en is een nader medisch stuk overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord onder overlegging van een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Appellant heeft een nader medisch stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. K.B. van Bree. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.G. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als chef elektromonteur bij [naam werkgever] (werkgever) voor 40 uur per week, heeft zich op 20 april 2009 ziek gemeld vanwege fysieke klachten gerelateerd aan een whiplash. Op 18 april 2011, de datum einde wachttijd, was appellant werkzaam in aangepast werk bij werkgever voor 15 uur per week.


1.2.

Op 7 maart 2011 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts en is zijn belastbaarheid vastgesteld. Op 28 maart 2011 heeft een arbeidsdeskundige gesproken met appellant en werkgever over de reïntegratie van appellant in zijn eigen werk. Naar aanleiding van de bevindingen van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv vervolgens aan werkgever een loondoorbetalingsverplichting opgelegd. Het bezwaar van werkgever tegen deze verplichting is gegrond verklaard en deze verplichting is komen te vervallen.


1.3.

Vervolgens is appellant op 2 december 2011 nogmaals onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op 22 december 2011 heeft de arbeidsdeskundige nogmaals gesproken met appellant. Naar het oordeel van de arbeidsdeskundige is het eigen werk, noch het aangepaste werk geschikt voor appellant. Wel is appellant volgens de arbeidsdeskundige in staat andere, voor hem geschikte functies te verrichten. Appellant kan daarmee 46,73% minder verdienen dan in zijn eigen werk. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij besluit van 5 januari 2012 vastgesteld dat appellant met ingang van 18 april 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 januari 2012 is bij besluit van

7 mei 2012 (bestreden besluit), onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond en het dossier bestudeerd. Volgens deze arts zijn er geen medische argumenten om af te wijken van het primaire medisch oordeel. Met de beperkingen (onder andere) op persoonlijk en sociaal functioneren in de FML zijn de klachten van appellant voldoende weergegeven. Een additionele beperking op werktijden op energetische gronden is niet te onderbouwen. Er is volgens deze arts geen medische indicatie voor slaap overdag en met inachtneming van de in de FML weergegeven beperkingen moet een achturige werkdag voor appellant mogelijk worden geacht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na herbeoordeling enkele van de voor appellant geselecteerde functies laten vervallen. Appellant wordt geschikt geacht voor de functies procesoperator niet-voedingsmiddelenindustrie, productiemedewerker industrie, wikkelaar en samensteller elektronische apparatuur. Appellant kan met deze functies 51,76% minder verdienen dan in zijn eigen werk. Appellant blijft dus binnen de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80%.


2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank spitst het geschil zich toe op de vraag of appellant naast de beperking om ’s nachts en ’s avonds te werken verdergaand beperkt dient te worden geacht op werktijden. De door appellant overgelegde rapporten afkomstig van GZ-psycholoog J.H. Poelstra, waaronder een verslag van een neuropsychologisch onderzoek, bieden volgens de rechtbank geen aanknopingspunten om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hieromtrent voor onjuist te houden. Volgens Poelstra is het noodzakelijk dat appellant een beschermende en inperkende structuur van buitenaf wordt opgelegd. Vanuit preventief oogpunt stelt hij voor om een urenbeperking voor appellant vast te stellen, waarbij (vooralsnog) 3 uur per dag gedurende 5 dagen per week als maximaal haalbaar wordt opgevat. Uit deze rapporten is volgens de rechtbank niet op te maken dat Poelstra kennis heeft genomen van de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellant heeft aangenomen en van de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor hem heeft geselecteerd. Dus heeft de rechtbank hierin geen grond gezien om te twijfelen aan de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op deze rapporten dat met de in de FML weergegeven beperkingen voldoende rekening is gehouden met de noodzaak tot het opleggen van voornoemde structuur.


2.2.

Nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij het selecteren van de functies is uitgegaan van een juiste medische grondslag, is in hetgeen appellant heeft aangevoerd ook geen grond gelegen voor het oordeel dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet juist is.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen zijn beperkingen hebben onderschat. Ten onrechte is geen urenbeperking opgenomen in de FML. Indien appellant langer dan 4 uur per dag werkt, treden symptomen als verwarring, onzekerheid, hoofdpijn, flauwvallen en ernstige vermoeidheid op. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van Poelstra van 17 september 2013 overgelegd en heeft hij nogmaals gewezen op de eerder door hem in de procedure overgelegde rapporten afkomstig van Poelstra, waaronder het verslag van het neuropsychologisch onderzoek. Voorts heeft appellant verzocht om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit stand kan houden. Terecht heeft de rechtbank onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige rapporten geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank daarover volledig en maakt die tot de zijne.


4.2.

Het in hoger beroep overgelegde rapport van Poelstra van 17 september 2013 geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Volgens Poelstra kan uit het neuropsychologisch onderzoek van 13 januari 2011 worden opgemaakt dat appellant meer beperkt moet worden geacht wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren. Ook is appellant aangewezen op een urenbeperking van 3 tot 4 uur per dag bij een werkweek van

5 dagen. Deze urenbeperking is noodzakelijk vanuit een preventief oogpunt. Bij een overschrijding van dit aantal uren bestaat een verhoogde kans dat appellant tot (verdere) schade van zijn gezondheid gaat functioneren. Dit geldt ten aanzien van alle mogelijke werkzaamheden. In zijn rapport van 28 oktober 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op het rapport van Poelstra van 17 september 2013. Onder verwijzing naar zijn eerdere rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom hij de conclusies in het neuropsychologisch onderzoek en dit rapport niet volgt. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF6777) kunnen cognitieve tekorten bij een neuropsychologisch onderzoek worden vastgesteld, maar dienen deze wel in een medisch specialistisch rapport te worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. Terecht merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat indien een onderdeel van een dergelijk onderzoek onvoldoende of te traag wordt ingevuld, daarmee nog niet is gezegd dat dit een rechtstreeks gevolg is van een neurologische stoornis. Deze conclusie kan en mag pas worden getrokken wanneer ook daadwerkelijk afwijkingen zijn geconstateerd op een EEG of CT-scan van de hersenen. Bij appellant is dat niet het geval. In de discussie aangaande de urenbeperking verwijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de eerste plaats naar zijn rapport van 16 maart 2012. In aanvulling hierop wordt onderkend dat de klachten die blijven optreden na 4 uur werk niet tot een diagnose zijn te herleiden. Inmiddels is de diagnose whiplash achterhaald en herzien naar WAD I/II, of wel tendomyogene klachten, wat betekent pijn vanuit de spieren. De door appellant beschreven klachten van flauwvallen en hoofdpijn kunnen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep mogelijk in relatie worden gezien met de tendomyogene pijnklachten in de hals. Een urenbeperking is tegen deze pijn geen remedie. De factor tijd is op zichzelf geen causale factor in het provoceren van deze klachten. Deze moet worden gezocht in spanningsverhogende factoren zoals stress of bepaalde vormen van lichamelijke belasting. Ook de verwarring en onzekerheid van appellant kunnen worden gezien als een reactie op stress. Aldus ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze klachten geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. Met betrekking tot de belastingpunten op persoonlijk en sociaal functioneren waarop Poelstra een beperking noodzakelijk acht, heeft het Uwv terecht opgemerkt dat de verzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen per datum einde wachttijd grotendeels een gelijke mening was toegedaan. Deze beperkingen zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 16 maart 2012 onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen reden om appellant in navolging van Poelstra beperkt te achten op de items vasthouden en verdelen van de aandacht en inzicht in eigen kunnen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat bij appellant geen sprake is van een ernstige psychische stoornis. In de beschikbare medische gegevens ziet de Raad geen aanknopingspunten om de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren of de werktijden voor onjuist te houden. Ook het in hoger beroep overgelegde rapport van fysio/manueeltherapeute M. Bloem van 5 maart 2015 geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Dit rapport heeft geen betrekking op de datum in geding. Voorts bestaat geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, is de Raad van oordeel dat in de arbeidskundige rapporten toereikend is gemotiveerd dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. De signaleringen zijn naar behoren gemotiveerd.


4.4.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen aanleiding.


6. Nu eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht dat appellant, ondanks de signalering op aspect 4.15.0, ook de functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur kan vervullen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.225,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.205,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 2.205,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) D. van Wijk




NK