Centrale Raad van Beroep, 24-04-2015 / 13-3815 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1421

Inhoudsindicatie
Weigering verzoek terug te komen van. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Niet aannemelijk is dat appellant verzekerd is voor de AOW in de periodes waarvan appellant heeft gesteld dat hij in Nederland woonde of werkte. De Svb heeft onderzoek gedaan naar de gegevens die door appellant zijn ingebracht. Er is geen reden om dit onderzoek onzorgvuldig te achten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-24
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
13-3815 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3815 AOW

Datum uitspraak: 24 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 juni 2013, 12/4057 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2015. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren in 1944 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 22 februari 2010 heeft appellant een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet aangevraagd. Bij besluit van 13 augustus 2010 is appellant een pensioen toegekend van 14% van het maximale pensioen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 14 maart 2011 is het pensioen ingetrokken met ingang van april 2011. Bij een brief van 4 mei 2011, door de Svb op 14 juli 2011 ontvangen, heeft appellant verzocht terug te komen van het besluit op bezwaar van 14 maart 2011. De Svb heeft dit verzoek bij besluit van 26 juli 2011 afgewezen.


1.2.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juli 2011 is bij een ongedateerd besluit van de Svb ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen dit ongedateerde besluit (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was de Svb bevoegd het verzoek om terug te komen van het besluit van 14 maart 2011 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Niet kan worden gezegd dat de Svb niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.


3.1.

Appellant heeft gesteld dat van het besluit van 14 maart 2011 moet worden teruggekomen, omdat appellant tussen 1970 en 1992 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Hij betoogt dat als de Svb geen bewijsstukken daarvan zou hebben, bij het besluit van

13 augustus 2010 geen pensioen zou zijn toegekend. Door de intrekking van het pensioen heeft appellant geen inkomen. Appellant heeft er geen rekening mee kunnen houden dat het pensioen naderhand zou worden ingetrokken.


3.2.

De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om terug te komen van het besluit van 14 maart 2011 terecht is afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Voorts is gesteld dat bij onderzoek niet kon worden vastgesteld dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Aan het bestreden besluit ligt (mede) ten grondslag dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 14 maart 2011.


4.2.

Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

4.3.

De feiten of omstandigheden die appellant heeft aangevoerd waren ten tijde van het nemen van het besluit van 14 maart 2011 bekend of konden vóór dat besluit worden aangevoerd. Appellant heeft geen relevante nieuwe bewijsstukken van het wonen of werken in Nederland overgelegd. Hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voorts is van belang dat de omstandigheden die appellant heeft aangevoerd geen zeer bijzondere omstandigheden zijn. Er is daarom geen plaats voor inhoudelijke toetsing van het besluit op bezwaar van 14 maart 2011, voor zover het verzoek van appellant ziet op perioden voorafgaand aan dit verzoek. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Svb bevoegd is het verzoek om terug te komen van het besluit van 14 maart 2011 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.


4.4.

Wat betreft het tijdvak na het verzoek dient te worden beoordeeld of de Svb bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing heeft kunnen komen. De rechtbank heeft volstaan met beoordeling van de vraag of de Svb gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb om het verzoek af te wijzen, zodat de rechtbank het bestreden besluit niet op juiste wijze heeft getoetst.


4.5.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat de Svb bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing heeft kunnen komen. Niet aannemelijk is dat appellant verzekerd is voor de AOW in de periodes waarvan appellant heeft gesteld dat hij in Nederland woonde of werkte. De Svb heeft onderzoek gedaan naar de gegevens die door appellant zijn ingebracht. Er is geen reden om dit onderzoek onzorgvuldig te achten.

Appellant heeft onder meer aangegeven dat hij in de periode van 1970 tot 1992 in Nederland zou hebben gewoond en gedeeltes van deze periode in Nederland zou hebben gewerkt. Het onderzoek naar deze gegevens heeft geen aanknopingspunten opgeleverd op grond waarvan aannemelijk is dat appellant in Nederland heeft gewoond. Van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland is in de genoemde periode geen sprake. Daarbij is met name van belang - hetgeen appellant niet heeft betwist - dat appellant niet over zelfstandige woonruimte beschikte en ook niet over een verblijfsvergunning. In 1992 is appellant uitgezet. Voorts zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant werkzaamheden heeft verricht bij de bedrijven of op de adressen die hij heeft aangegeven. Appellant heeft weliswaar enkele verklaringen afgelegd over de gestelde werksituatie, maar hij heeft deze verklaringen op geen enkele manier met bewijzen gestaafd en de verklaringen wijken op onderdelen van elkaar af.


4.6.

Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2015.



(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) S. Aaliouli




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.



NK