Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-1824 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:143

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen inkomsten als zelfstandige. Urencriterium. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-1824 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/46
Uitspraak

13/1824 WWB, 13/1825 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 28 februari 2013, 12/1316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

Datum uitspraak: 27 januari 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.E. Bosman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter, en mr. Bosman, die ook optrad voor appellant. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Kikkert.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 4 juni 1996 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Appellant ontving vanaf 1 juni 1998 inkomsten uit arbeid, die maandelijks op de bijstand in mindering werden gebracht. Het college heeft aan appellante in verband met haar afstand tot de reguliere arbeidsmarkt toestemming verleend om vanaf 2007 als zogeheten marginaal zelfstandige werkzaamheden te verrichten. Het betrof hier de verkoop van vitaminepillen via [naam V.]. Uit een rapport van het Gemeentelijk Regionaal Ondernemers Steunpunt (GROS) van 20 oktober 2008 blijkt dat het hier ging om multilevel marketing. Appellante ontving van [naam V.] een bonus op de verkoop aan klanten. Zij droeg geen ondernemersrisico en voldeed dus niet aan de definitie van zelfstandige in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). In 2007 resteerde geen positief resultaat. In 2008 zijn de uit deze werkzaamheden verkregen inkomsten maandelijks in mindering gebracht op de bijstand. Uit de door appellanten overgelegde gegevens is gebleken dat in 2009 een verlies is geleden van € 0,16, zodat in dat jaar geen inkomsten uit deze bron op de bijstand in mindering zijn gebracht.


1.3.

Omdat appellanten zonder kennisgeving niet zijn verschenen op uitnodigingen voor voortgangsgesprekken in juni 2011 en in augustus 2011, heeft het zogeheten team RISC een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is appellante gehoord en zijn gegevens opgevraagd bij de Kamer van Koophandel (KvK). Hieruit is gebleken dat appellante met ingang van 1 januari 2009 beherend vennoot is van de commanditaire vennootschap [naam vennootschap] ([vennootschap]), waarin een commanditair kapitaal is ingebracht van € 125.000,-. Hierop is het onderzoek uitgebreid, zijn appellanten gehoord, zijn stukken met betrekking tot de werkzaamheden voor [naam V.] en over de onderneming [naam onderneming L.] opgevraagd en is een advies gevraagd van GROS. Appellante heeft blijkens haar verklaring van 21 september 2011 een bedrag van € 29.000,- ingebracht in de commanditaire vennootschap. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 19 januari 2012.


1.4.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 27 januari 2012 de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken, de bijstand per datum van de beschikking beëindigd en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2011 tot een bedrag van € 22.405,62 van appellanten teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellanten het college ten onrechte niet hebben geïnformeerd over de uitbreiding van de werkzaamheden en de verhoging van inkomsten uit die werkzaamheden. Ook is niet gemeld dat appellanten over het jaar 2010 zelfstandigenaftrek hebben verkregen. Om die reden zijn appellanten met ingang van 1 januari 2010 aan te merken als zelfstandigen en hebben zij dientengevolge geen recht op bijstand.


1.5.

Bij besluit van 24 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 27 januari 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor het recht op bijstand niet meer is vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college ter zitting nadrukkelijk afstand heeft genomen van de grondslag van het bestreden besluit en zich op het standpunt heeft gesteld dat appellante is aan te merken als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met

31 december 2011 als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 aan te merken. Dit betekent dat appellanten niet onder de personenkring van de WWB vielen en dus geen recht op bijstand ingevolge deze wet hadden.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Zij hebben

- samengevat - aangevoerd dat appellanten in 2010 zelfstandigenaftrek hebben genoten en dat appellante in dat jaar aan het urencriterium als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft voldaan, maar dat dit in 2011 niet het geval was. Dat het in 2011 verbeterde bedrijfsresultaat ook betekent dat in dat jaar meer tijd is gestoken in het bedrijf, berust slechts op een aanname. Een goed bedrijfsresultaat kan het gevolg zijn van allerlei oorzaken. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de overgelegde verklaring van de boekhouder niets zegt over de activiteiten voor [naam V.]. De activiteiten voor [naam V.] en de activiteiten voor [naam onderneming L.] hangen met elkaar samen. Op 18 oktober 2011 heeft appellante verklaard dat zij gemiddeld meer dan 20 uren per week werkt, maar vervolgens merkt ze op dat zij niet weet hoe deze uren verdeeld zijn. De rechtbank kan dan ook niet zonder meer concluderen dat uit het feit dat zij én voor [naam V.] én voor [naam onderneming L.] werkt, volgt dat aan het urencriterium van het Bbz 2004 wordt voldaan. Gezien de vastgestelde feiten heeft de rechtbank ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft ten slotte ten onrechte geen aandacht besteed aan het beroep dat appellanten hebben gedaan op de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie. Dit beroep moet worden gehonoreerd. Appellanten hebben correct voldaan aan hun inlichtingenverplichting. In de gesprekken heeft appellante duidelijk melding gemaakt van de aard en omvang van haar werkzaamheden. Het college had dan ook moeten afzien van terugvordering over de periode van zes maanden na 22 april 2009.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting ligt ter beoordeling voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011.


4.2.

Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 bepaalt dat onder zelfstandige wordt verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan, voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (urencriterium), en alleen of samen met degene met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:BB4026) kan een belanghebbende die aan de onder 4.2 vermelde criteria voldoet, slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van het Bbz 2004 aanspraak maken op bijstand ingevolge het Bbz 2004. Met het Bbz 2004 is beoogd een sluitend systeem van bijstandsverlening aan zelfstandigen te bieden, zodat personen die als zelfstandige in bovenvermelde zin worden aangemerkt, geen recht op bijstand op grond van de WWB toekomt.


4.4.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. De last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan rust dan ook in beginsel op het bijstandverlenend orgaan. Dat betekent in dit geval dat het college aannemelijk moet maken dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode zelfstandige was in de zin van het Bbz 2004.


5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in 2010 een bedrijf heeft uitgeoefend, dat appellanten in 2010 zelfstandigenaftrek hebben genoten en dat appellante in 2010 aan het urencriterium heeft voldaan. Ook is niet betwist dat appellante in deze periode aan de overige in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 gestelde voorwaarden voldeed. Dat betekent dat appellante van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 moet worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004.


6.1.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat appellante ook in 2011 op zelfstandige basis een bedrijf heeft uitgeoefend. Wat partijen verdeeld houdt is de beantwoording van de vraag of appellante in 2011 heeft voldaan aan het urencriterium.


6.2.

De Raad stelt voorop dat de werkzaamheden van appellante voor [naam V.] en die voor [naam onderneming L.] als een samenhangend geheel van werkzaamheden zijn te beschouwen en tezamen moeten worden gekwalificeerd als de uitoefening van een bedrijf. Appellante is begonnen met de verkoop van producten voor [naam V.], waarvoor zij bonussen/commissie ontving. [naam V.] verkoopt blijkens de verklaring van appellante van 21 september 2011 per land een licentie aan een licentiehouder. [naam onderneming L.] heeft voor de Oekraïne een dergelijke licentie verkregen. [naam onderneming L.] koopt de produkten van [naam V.] Europa en verkoopt deze vervolgens door aan vaste afnemers in de Oekraïne. Appellante heeft, zo blijkt uit haar hoger beroep, haar activiteiten voor [naam V.] willen uitbreiden tot een levensvatbaar bedrijf, waartoe [naam onderneming L.] in het leven is geroepen en zij geeft daarbij aan dat de activiteiten voor [naam V.] en [naam onderneming L.] met elkaar samenhangen. Appellante heeft op 21 september 2011 verklaard dat zij niet kan stoppen met [naam V.], “omdat het één systeem is met [naam onderneming L.]”. Ter zitting is nogmaals namens appellante verklaard dat het een onlosmakelijk geheel is, het één kan niet los worden gezien van het ander, mede omdat het hebben van kennis van de produkten van [naam V.] en het kunnen optreden als consulent mede van belang is voor de activiteiten van [naam onderneming L.].

6.3.

Aan appellante is op 18 oktober 2011 gevraagd hoeveel uren zij gemiddeld per week aan [naam onderneming L.] besteedt. Zij heeft toen op die vraag geantwoord per week gemiddeld meer dan

20 uren werkzaam te zijn. Zij weet niet exact hoeveel uren per week zij aan [naam onderneming L.] besteedt. Gelet op de vraagstelling en de beantwoording moet ervan worden uitgegaan dat het hier ging om de aan [naam onderneming L.] bestede uren. Daarnaast zijn er nog uren besteed aan [naam V.]. Ter zitting bij de rechtbank is namens appellante verklaard dat zij in 2011 nog heel veel tijd en werk in het bedrijf heeft geïnvesteerd. Op grond van deze verklaringen moet ervan worden uitgegaan dat de werkzaamheden van appellante voor het bedrijf in 2011 in aard en omvang niet minder waren dan in 2010, toen appellanten zelfstandigenaftrek hebben genoten. De onduidelijkheid in haar verklaringen over de exacte omvang van het aantal uren moet voor rekening van appellante blijven, nu appellante - zoals hierna onder 8.2 wordt overwogen - het college indertijd ten onrechte niet had gemeld dat zij beherend vennoot was bij [naam onderneming L.]. Dit betekent dat appellanten niet kunnen worden gevolgd in hun betoog dat appellante in 2011 niet aan het urencriterium heeft voldaan. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1812) behoren voorbereidings- en administratiewerkzaamheden eveneens tot de normale activiteiten van een zelfstandige, zodat de stelling van appellante dat de opgegeven uren niet allemaal direct betrekking hadden op het verkrijgen van inkomen en dus deels buiten beschouwing zouden moeten gelaten geen stand houdt. De verklaring van de boekhouder is ontoereikend om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de boekhouder zich alleen uitspreekt over de tijd gemoeid met [naam onderneming L.]. Bovendien is de omstandigheid dat de boekhouder geen aanspraak op zelfstandigenaftrek over 2011 heeft willen claimen niet bepalend voor de beantwoording van de vraag of appellante, gelet op de feitelijke situatie, aan het urencriterium voldeed.


6.4.

Ook voor 2011 geldt dat niet in geschil is dat appellante ook aan de andere twee in

artikel 1, onder b, van het Bbz 2004 neergelegde eisen voldoet, zodat de rechtbank appellante ook voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 op goede gronden heeft aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004.


7. Uit 5 en 6.4 volgt dat appellanten in de in geding zijnde periode geen recht hadden op bijstand op grond van de WWB.


8.1.

Anders dan appellanten kennelijk menen, wordt de schending van de inlichtingenverplichting hen nog onverkort tegengeworpen. In de aangevallen uitspraak is immers overwogen dat het college bevoegd was om de bijstand in te trekken per 1 januari 2010 en te beëindigen per 27 januari 2012, omdat appellanten niet hebben gemeld aan het college dat appellante als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 werkzaam was en appellanten daardoor ten onrechte bijstand hebben ontvangen. De in geding zijnde intrekking van bijstand is dan ook gebaseerd op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.


8.2.

Vooropgesteld wordt dat de inlichtingenverplichting inhoudt dat de betrokkene aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De Raad is van oordeel dat appellanten gedurende de in geding zijnde periode niet tijdig en volledig informatie hebben verschaft over de door appellante verrichte activiteiten als zelfstandige. Daartoe is allereerst van belang dat op de door appellanten ingevulde mutatieformulieren wel iedere maand de inkomsten van appellant zijn vermeld, maar dat daarin niet is meegedeeld dat appellante als zelfstandige activiteiten is gaan verrichten. Uit de rapportages van de voortgangsgesprekken met appellanten blijkt dat wel is gesproken over uitbreiding van de werkzaamheden van appellante, maar appellanten hebben indertijd niet de aard en de omvang van de activiteiten duidelijk gemaakt, terwijl tot dan toe bovendien ook alleen de activiteiten van appellante voor [naam V.] bekend waren bij het college. Appellanten hebben erop gewezen dat uit de rapportage van 22 april 2009 blijkt dat appellante heeft verteld dat zij sinds januari 2009 als zelfstandige staat ingeschreven bij de KvK, maar deze enkele omstandigheid leidt niet tot het oordeel dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Appellante heeft namelijk toen niet gemeld, zo blijkt uit wat verder onder het kopje “zelfstandige” staat genoteerd, dat het niet langer ging om de marginale activiteiten voor [naam V.] maar dat zij per 1 januari 2009 beherend vennoot was geworden in een nieuw opgericht bedrijf, waarin zij ook zelf een aanzienlijk kapitaal had geplaatst. Zij heeft ook de stukken die betrekking hebben op die inschrijving niet overgelegd. De stelling van appellanten dat zij duidelijk de aard en de omvang van de werkzaamheden hebben gemeld, valt daarmee niet te rijmen. Het college heeft het standpunt van appellanten dat het dossier niet compleet is, betwist en dat standpunt is verder ook niet onderbouwd. Het in 8.1 neergelegde oordeel van de rechtbank wordt dan ook onderschreven.


9.1.

Het college was voorts bevoegd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2011 terug te vorderen. Het beroep van appellanten op de zesmaanden-jurisprudentie slaagt niet, omdat voor de toepassing daarvan in beginsel geen plaats is, indien, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van de voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.


9.2.

Appellanten hebben terecht betoogd dat de rechtbank de beroepsgrond van appellanten die ziet op de zesmaanden-jurisprudentie ten onrechte onbesproken heeft gelaten, maar dit kan niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat dat het college had moeten afzien van terugvordering vanaf zes maanden na 22 april 2009. Het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven kan immers, gelet op wat hiervoor in 9.1 is overwogen, in stand blijven. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom met aanvulling van gronden te worden bevestigd.


10. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag

van € 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.C.F. Talman en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C. Moustaïne



HD