Centrale Raad van Beroep, 07-05-2015 / 13-6223 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1435

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Geen nieuwe gronden in hoger beroep.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-07
Publicatiedatum
2015-05-11
Zaaknummer
13-6223 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6223 WWB

Datum uitspraak: 7 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2013, 13/3861 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Mous, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 19 april 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 24 september 2012 maakt appellant gebruik van een briefadres van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam.


1.2.

Nadat appellant op een zogenaamd 7-dagenformulier over de laatste week van oktober 2012 had opgegeven elke dag op het adres van [naam] (T) aan [adres] te verblijven, heeft een handhavingsspecialist van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossieronderzoek gedaan, verschillende registers geraadpleegd en appellant op 29 januari 2013 gehoord. Voorts heeft appellant over de periode van 21 december 2012 tot en met 31 januari 2013 7-dagenformulieren ingevuld en daarop opgegeven elke dag op het adres van T te verblijven. Op 4 februari 2013 heeft appellant telefonisch verklaard vanaf de eerste week in november 2012 op het adres [adres] te wonen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

4 februari 2013.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

8 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 3 november 2012 in te trekken op de grond dat appellant vanaf die datum een gezamenlijke huishouding met T op het adres

[adres] voert. Appellant heeft hiervan in strijd met zijn inlichtingenverplichting geen melding gemaakt aan het college.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. In beginsel mag van de juistheid van een tegenover een handhavingsmedewerker afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering op dit uitgangspunt dient te worden gemaakt. Uit de verklaring van appellant van 29 januari 2013, de door hem ingevulde

7-dagenformulieren en de door hem op 4 februari 2013 gegeven telefonische informatie blijkt dat appellant sinds 3 november 2012 op het adres van T heeft verbleven. In de periode in geding hadden appellant en T daarom hun gezamenlijke hoofdverblijf op het adres van T. Ook blijkt uit de verklaring van appellant dat in de periode in geding sprake is van wederzijdse zorg. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij samen met T het huishouden doet, dat de kleding gezamenlijk wordt gewassen, dat hij ongeveer vijf dagen per week samen met T eet en kookt, dat zij de boodschappen voor elkaar betalen en deze niet gescheiden bewaren, dat hij meestal de afwas doet, en dat hij geen huur betaalt, maar in het huishouden investeert door de boodschappen te betalen. Deze verklaring duidt zowel op een bepaalde mate van financiële verstrengeling als op het anderszins zorg dragen voor elkaar. Het college heeft dan ook met juistheid geconcludeerd dat appellant en T in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het betoog van appellant dat hij dakloos is en af en toe verblijft op de bank van T, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat appellant zelf heeft verklaard dat hij sinds 3 november 2012 op één adres verblijft. Gelet op de door appellant op

29 januari 2013 afgelegde verklaring, de door hem ingevulde 7-dagenformulieren en de op

4 februari 2013 door appellant gegeven nadere telefonische informatie, was er voor het college geen reden om een huisbezoek af te leggen.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij betwist dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellant heeft slechts een slaapbankcontract met T en is daadwerkelijk dakloos. Hij valt daarom volgens de werkvoorschriften van de DWI onder de bijzondere doelgroepen.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 3 november 2012 tot en met 8 februari 2013.


4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft met juistheid geoordeeld dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant en T in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust, en maakt deze tot de zijne. Daaraan wordt nog toegevoegd dat de stelling van appellant dat hij een slaapbankcontract met T had en daadwerkelijk dakloos was, geen steun vindt in de onderzoeksbevindingen van het college.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.H. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.M.A.V. van Kleef



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.



HD