Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-6103 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:144

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten en gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres en dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg werd voldaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-6103 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6103 WWB, 13/6104 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 november 2013, 13/1786 en 13/1787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant) beiden wonende te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Schriemer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. van der Brug.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 9 juli 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Zij staat vanaf 17 oktober 2001 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente Zwolle ingeschreven op het adres [Adres A] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant stond vanaf 28 maart 2001 in de GBA ingeschreven op het adres [Adres B] te gemeente [plaatsnaam].


1.2.

Naar aanleiding van drie meldingen dat appellanten samenwonen op het uitkeringsadres heeft de Unit Regionale Sociale Recherche [woonplaats] e.o. (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, heimelijke waarnemingen gedaan bij het uitkeringsadres en buurtonderzoek verricht in [woonplaats] en [plaatsnaam]. Ten slotte heeft de sociale recherche op 26 juli 2012 appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 juli 2012.


1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

6 september 2012 de bijstand van appellante met ingang van 9 juli 2011 in te trekken en de over de periode van 9 juli 2011 tot en met 30 juni 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.513,63 bruto van appellante terug te vorderen. Bij besluit van eveneens

6 september 2012 heeft het college dit bedrag mede van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres, waarvan appellante geen melding heeft gemaakt bij het college.


1.4.

Bij besluiten van 5 juli 2013 en 18 juli 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 6 september 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben in hoger beroep - kort samengevat - betwist dat zij in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 9 juli 2011 tot en met 6 september 2012 en in geding is de vraag of appellanten met elkaar een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres hebben gevoerd.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.


4.3.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten hielden in de te beoordelen periode afzonderlijke adressen aan. Dat gegeven hoeft niet aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.


4.5.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de door appellanten op 26 juli 2012 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. Appellante heeft verklaard dat appellant heel veel bij haar is en al twee jaar bij haar komt als vriend. Hij blijft soms twee dagen, soms drie dagen, soms een hele week en soms langer dan een hele week. Meestal is hij langer dan een week bij haar. Na confrontatie met de bevindingen van de waarnemingen heeft appellante verklaard dat appellant dagelijks bij haar is en dat dit al twee jaar zo is. Appellant heeft al een tijd een sleutel van de woning. Dat appellante tevens expliciet heeft verklaard dat appellant niet zijn hoofdverblijf bij haar heeft, doet niet af aan wat appellante heeft verklaard over het feitelijk verblijf van appellant in haar woning.


4.6.

De verklaring die appellant tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, ligt in lijn met de in 4.5 verwoorde verklaring van appellante. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij veel - dinsdag, woensdag en van vrijdag tot en met zondag - bij appellante is om haar te ondersteunen. Dat is op dat moment al een maand of vijf het geval volgens appellant. Hoofdzakelijk woont hij bij appellante. Na confrontatie met de verklaringen van buurtbewoners en van appellante inhoudende dat deze situatie al zeker twee jaar zo is, heeft appellant verklaard dat het goed zo kan zijn, hij houdt die dingen niet zo bij. Anders dan appellanten betogen, heeft appellant dan ook niet alleen verklaard over de laatste maanden voorafgaand aan zijn verhoor.


4.7.

De verklaringen van appellanten vinden steun in de waarnemingen ter plaatse en in de verklaringen van de buurtbewoners die er - samengevat - op neer komen dat appellant zeker

2 jaar woont op het uitkeringsadres aangezien hij dagelijks gezien en gehoord werd. Deze getuigen hebben eenduidig en met vermelding van concrete details over hun wetenschap en waarnemingen verklaard dat appellant op het uitkeringsadres woonde. Appellanten hebben erop gewezen dat de verklaringen van de buurtbewoners Groothand en Gerrits onbetrouwbaar zijn nu zij met deze buurtbewoners gebrouilleerd zijn. Voor zover appellanten hiermee de objectiviteit, en daarmee de betrouwbaarheid van verklaringen van Groothand en Gerrits in twijfel willen trekken, bestaat hiervoor geen grond. De verklaringen van deze buren zijn immers in lijn met de verklaringen van appellanten zelf. Bovendien komen de verklaringen van de hiervoor genoemde twee buurtbewoners voort uit eigen waarneming en zien deze op de feitelijke woonsituatie in de hier te beoordelen periode.


4.8.

Appellanten hebben gewezen op de in beroep overgelegde schriftelijke verklaringen van familie en vrienden en de verklaringen van [naam P], werkzaam bij de gemeente [plaatsnaam] en

[naam G], de beschermingsbewindvoerder van appellant, inhoudende dat appellant niet met appellante heeft samengewoond en niet meer was dan een goede vriend die zijn eigen woning in [plaatsnaam] had. Aan deze verklaringen kan - zeker in het licht van de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche - niet die betekenis worden toegekend die appellanten daaraan gehecht wensen te zien. Deze overgelegde verklaringen bevatten met name interpretaties en aannames en zijn niet gebaseerd op eigen waarnemingen bij het uitkeringsadres. Daarbij komt dat voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding de door appellanten en in deze verklaringen genoemde redenen voor de aanwezigheid van appellant bij appellante niet relevant zijn. Immers, die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.


4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat appellanten in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.


4.10.

Anders dan appellanten betogen, bieden hun verklaringen eveneens voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode ook aan het criterium van wederzijdse zorg werd voldaan. Appellante doet de was voor appellant, zij kookt meestal, appellant kookt soms, zij doen gezamenlijk de boodschappen en betalen deze ook gezamenlijk. Appellant doet sommige klusjes, zoals de tuin, en appellanten zetten om de beurt de kliko buiten. Dat sprake was van een vriendendienst, zoals appellanten stellen, is, zoals onder 4.8 is overwogen, niet van belang, nu de motieven en de aard van de relatie geen rol spelen.


4.11.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) C. van Viegen




De griffier is buiten staat te ondertekenen



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.



HD