Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 12-1032 WIJ


ECLI:NL:CRVB:2015:145

Inhoudsindicatie
Herstel gebrek. Proceskosten na tussenuitspraak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
12-1032 WIJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/1032 WIJ

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 januari 2012, 11/4805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift, nadere stukken en desgevraagd een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kouwenaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 24 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2135, een tussenuitspraak (tussenuitspraak) gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 17 juli 2014 een nader besluit (nader besluit) genomen.

Appellante heeft bij brief van 30 juli 2014 medegedeeld met het nader besluit in te stemmen en om vergoeding van proceskosten en wettelijke rente verzocht. Het college heeft zich daartegen bij brief van 18 september 2014 verzet.

De meervoudige kamer heeft de zaak vervolgens verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Appellante heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout. Appellante is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de tussenuitspraak en volstaat hier met het volgende.

1.1.

Bij besluit van 25 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 augustus 2011 (bestreden besluit), heeft het college appellante medegedeeld dat zij geen inkomensvoorziening krijgt. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante over vermogen beschikt boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen van € 5.555,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het college de gelegenheid gegeven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Bij het nader besluit heeft het college appellante alsnog een inkomensvoorziening toegekend, voor de periode van 15 april 2011 tot 7 november 2011. Gelet op de mededeling van appellante in de brief van 30 juli 2014 en wat in 4.2 is overwogen, heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling van het nader besluit. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt dit besluit daarom niet in de beoordeling betrokken. Met betrekking tot het resterende geschil wordt als volgt overwogen.

4.1.

Met betrekking tot de proceskosten heeft het college ter zitting van de Raad alsnog het standpunt ingenomen dat deze voor toekenning in aanmerking komen. Deze kosten worden begroot op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting) in beroep en op € 1.217,50 (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de brief van 30 juli 2014) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

4.2.

Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente zal worden afgewezen. Ingevolge artikel 4:102, derde lid, van de Awb is wettelijke rente immers niet verschuldigd voor zover de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan de belanghebbende is toe te rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. Dit betekent dat de omstandigheid dat appellante, zoals zij stelt, in bezwaar een overzicht van alle schulden en tegoeden heeft overgelegd, dan wel bij brieven van 30 juni 2011 en 29 augustus 2011 zodanige nadere informatie heeft verstrekt, dat voldoende informatie over de samenstelling van de schuldenlast is verstrekt, haar niet kan baten. De aanvraag was immers onvolledig. Bovendien wijst de Raad erop dat appellante van de twee grootste schulden, die bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, pas in de beroepsfase een schriftelijke onderbouwing heeft gegeven.

Conclusie


5. Uit de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit en het besluit van 25 mei 2011 zijn bij het nader besluit herroepen, zodat de Raad daarover niets meer hoeft te beslissen. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.191,50. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente zal worden afgewezen.









BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.191,50;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer




ew