Centrale Raad van Beroep, 07-05-2015 / 13-1081 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1450

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Kasstortingen, middelen, vermogen. Verblijf in het buitenland. Recht op bijstand is niet vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-07
Publicatiedatum
2015-05-11
Zaaknummer
13-1081 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1081 WWB

Datum uitspraak: 7 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 16 januari 2013, 12/1518 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Aynan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en, op verzoek van de Raad, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Rispens, kantoorgenoot van mr. Aynan. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving vanaf 2 mei 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Naar aanleiding van schriftelijke informatie van een re-integratieconsulent dat appellant vermoedelijk niet in Almere zou verblijven en veelvuldig contant geld op zijn rekening zou storten, heeft de unit Bijzondere Controle van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld. De bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 28 mei 2010, hebben de Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) aanleiding gegeven om een nader onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, van de SNS bank, de ING bank en de Rabobank gegevens gevorderd met betrekking tot een drietal nader genoemde bankrekeningnummers op naam van appellant en eventuele overige rekeningen ten name van appellant. Voorts heeft de sociale recherche van [reisbureau] alle administratieve bescheiden inzake appellant gevorderd en diverse getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 juni 2011. Op 18 augustus 2011 heeft de sociale recherche een aanvullend rapport uitgebracht. Daarin wordt verslag gedaan van het verhoor van appellant op 13 juli 2011.


1.3.

Op grond van de in het rapport van 1 juni 2011 vermelde onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 8 juli 2011 de bijstand per 7 juli 2006 ingetrokken en bij besluit van 13 juli 2011 de over de periode van 7 juli 2006 tot en met 30 april 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 68.057,37 van appellant teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 7 en 13 juli 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat vanaf 7 juli 2006 het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen, omdat onduidelijk is welke periodes appellant in het buitenland heeft verbleven en wat de aard en de herkomst is van de contante kasstortingen op zijn bankrekeningen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 7 juli 2006 tot en met 8 juli 2011, vier bankrekeningen op zijn naam had of heeft gehad en dat op drie van die bankrekeningen contante kasstortingen zijn gedaan van in totaal € 37.410,05. De bedragen van de stortingen, die regelmatig hebben plaatsgevonden, variëren van € 40,- tot € 1.885,-.


4.2.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. De beroepsgrond dat appellant niet heeft kunnen beschikken over het tegoed op de bankrekening eindigend op 318 omdat dit een zogeheten “en/of”-rekening betreft die mede op naam van zijn zoon [naam zoon] staat en alleen voor de zoon was bedoeld, slaagt daarom niet. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij niet kon beschikken over de contant gestorte bedragen op de op zijn naam staande bankrekeningen. De enkele stelling dat deze bedragen afkomstig waren van zijn dochter en bestemd waren voor zijn echtgenote en kinderen in Egypte, is daarvoor onvoldoende.


4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak van de Raad als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138; van 23 juli 2013 ECLI:NL:CRVB: 2013:1106). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Wat hiervoor ten aanzien van de bijstandontvanger is overwogen laat onverlet dat met betrekking tot degene, die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of na blokkering of opschorting van de bijstand geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen, mogelijk anders kan worden geoordeeld (uitspraak van 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:455). Deze situatie doet zich hier echter niet voor.


4.4.

De conclusie moet zijn dat de kasstortingen moeten worden aangemerkt als inkomsten.


4.5.

Uit een analyse van het uitgavenpatroon van appellant, zoals dat blijkt uit de op zijn naam staande bankrekeningen, heeft de sociale recherche afgeleid dat appellant vanaf 2006 jaarlijks meermaals periodes in het buitenland heeft verbleven zonder daarvan melding te doen aan het college. Dat appellant buiten Nederland heeft verbleven, wordt bevestigd door de kopieën van vier vliegtickets daterend uit 2007 (1), 2009 (2) en 2011 (1) die tijdens het onderzoek van[reisbureau] zijn ontvangen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant alleen met betrekking tot de periode van 27 november 2010 tot en met 25 december 2010 aan het college een vakantieperiode in het buitenland heeft opgegeven. Voor zijn stelling dat hij ook andere periodes van verblijf buiten Nederland aan het college heeft gemeld, bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten.


4.6.

Reeds door geen melding te maken van de in 4.4 genoemde inkomsten en van de in 4.5 bedoelde, niet precies bepaalde, periodes van verblijf buiten Nederland heeft appellant de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan appellant teveel bijstand is verleend. De beroepsgrond dat bij het college niet slechts drie, maar alle vier de bankrekeningen bekend waren, behoeft daarom geen bespreking.


4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Deze situatie doet zich hier, gelet op 4.6, voor. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.8.

Appellant heeft aangevoerd dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld door de kasstortingen als inkomsten toe te rekenen aan de maand waarin de stortingen zijn gedaan en door voor het verblijf buiten Nederland uit te gaan van de geldigheidsduur van de vier vliegtickets. Dit betoog slaagt niet. Indien al met appellant moet worden aangenomen dat hij niet meer inkomsten heeft gehad dan het in 4.1 genoemde totaalbedrag, dan nog heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld, omdat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de exacte periodes dat hij in het buitenland heeft verbleven. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat twee van de vier in 4.5 genoemde vliegtickets een open ticket betreffen. Op grond van die tickets kan wel worden vastgesteld wanneer appellant naar het buitenland is vertrokken, maar niet wanneer hij naar Nederland is teruggekeerd. Daarbij komt dat een open ticket, zoals appellant ook zelf ter zitting heeft verklaard, wel een jaar geldig kan zijn. In de tweede plaats is van belang dat niet valt uit te sluiten dat appellant ook buiten de periodes waarop de vliegtickets mogelijk zien, in het buitenland heeft verbleven. In elk geval volgt uit de pinopnames met dezelfde pinpas op 27 juli 2008 op Schiphol en dezelfde dag in Egypte dat appellant op 27 juli 2008 naar Egypte is vertrokken, terwijl de vliegtickets niet op deze datum zien. Dat appellant achteraf geen objectieve en verifieerbare gegevens meer kan verstrekken over zijn verblijf buiten Nederland, heeft appellant over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellant - in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting - heeft nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten over zijn verblijf buiten Nederland. Daarmee is aan het college de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden.


4.9.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het college bevoegd was de bijstand vanaf de datum van de eerste contante kasstorting, 7 juli 2006, in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Hieruit volgt tevens dat het college bevoegd was om de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.


4.10.

Het college voert het beleid dat in beginsel steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt en dat daarvan kan worden afgezien op grond van dringende redenen. Hiervan is sprake indien de terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellant heeft zijn stelling dat hij veel schulden heeft en dat hij, indien hij het teruggevorderde bedrag dient terug te betalen, in zeer ernstige financiële problemen dreigt te raken, niet nader onderbouwd. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich voorts in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij heeft appellant als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.G. van den Berg




HD