Centrale Raad van Beroep, 17-04-2015 / 13-4019 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1451

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Geen excessief ziekteverzuim. Geschikt voor de geduide functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-4019 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4019 WIA

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 juni 2013, 12/6274 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015. Namens appellante is

mr. Winia verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als doktersassistente voor 35,86 uur per week. Zij heeft zich op 21 oktober 2009 ziek gemeld vanwege rug- en nekklachten als gevolg van een auto-ongeval in februari 2008. Bij besluit van 17 april 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij met ingang van 10 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


1.2.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 april 2012, waarbij zij met name heeft aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen vanwege haar energetische beperkingen. Ter onderbouwing van het bezwaar heeft zij medische stukken van haar behandelend neuroloog W.M. Mulleners van 30 juli 2012 en 1 augustus 2012 overgelegd, waarin is vermeld dat bij appellante sprake is van migraine zonder aura. Naar aanleiding van deze stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep neuroloog P. Dellemijn verzocht een expertise te verrichten. In zijn expertiserapport van 20 oktober 2012, heeft Dellemijn de diagnose spanningshoofdpijn gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 31 augustus 2012 en 25 oktober 2012 overwogen dat geen aanleiding bestaat anders te oordelen dan dat de verzekeringsarts heeft gedaan en heeft geen reden gezien voor wijziging van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 maart 2012. Bij besluit van

1 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 april 2012 ongegrond verklaard.


2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Neuroloog Mulleners heeft in zijn brief van 15 januari 2013 gereageerd op de expertise van Dellemijn. Op deze brief van Mulleners heeft Dellemijn vervolgens gereageerd in zijn rapport van 16 maart 2013.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is te achten, temeer nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep de neuroloog Dellemijn als deskundige heeft ingeschakeld. Niet is gebleken dat de artsen van het Uwv dan wel Dellemijn relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist, dan wel onjuist in de FML hebben vertaald. Voldoende is gemotiveerd waarom de medische informatie van Mulleners niet tot een andere belastbaarheid heeft geleid per datum in geding. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige. Ten slotte heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar haar gronden in bezwaar en beroep, aangevoerd dat de diagnose van neuroloog Mulleners de juiste is. Met diens bevindingen dat sprake is van migraine zonder aura met een aanvalsfrequentie van twee tot drie dagen per week is onvoldoende rekening gehouden. Neuroloog Dellemijn heeft appellante slechts 3,5 uur onderzocht en heeft haar suggestieve vragen gesteld. De hoofdpijnklachten van appellante worden ten onrechte afgedaan als klachten die slechts gerelateerd zijn aan spanningen en perfectionisme. Nu beide neurologen lijnrecht tegenover elkaar staan in hun oordeel heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien voor inschakeling van een deskundige. Daarom heeft appellante de Raad verzocht om dit alsnog te doen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep naast zijn eigen onderzoek ook de neuroloog Dellemijn een expertise heeft laten verrichten. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat niet is gebleken dat de verzekeringsartsen relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist, dan wel onjuist in de FML hebben vertaald. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben beperkingen aangenomen voor de nek- en rugklachten en de hoofdpijnklachten van appellante. Appellante heeft niet met nieuwe medische stukken aannemelijk gemaakt dat het Uwv meer beperkingen had moeten aannemen als gevolg van haar nek- en rugklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 februari 2015 afdoende gereageerd op het rapport van Triage van

9 februari 2015 en heeft een aanvullende beperking voor verhoogd ziekteverzuim opgenomen in de FML. Het rapport van Triage bevat bij gebreke van daarop betrekking hebbend eigen medisch onderzoek door verzekeringsarts E.C. van Eijck onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat in de FML verdergaande beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangewezen.


4.2.1.

Niet in geschil is dat bij appellante als gevolg van haar hoofdpijnklachten sprake is van een verhoogd ziekteverzuim. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of in het geval van appellante sprake is van excessief ziekteverzuim op de datum in geding. Uit de rapporten van neurologen Mulleners en Dellemijn, die kennis hebben genomen van het hoofdpijndagboek van appellante, kan worden opgemaakt dat zij rond de datum in geding ongeveer de helft van de maand hoofdpijnklachten had. Deze klachten varieerden in ernst van lichte hoofdpijn tot zware hoofdpijn. Dellemijn heeft in zijn rapport van 20 oktober 2012 op basis van het uit het hoofpijndagboek afgeleide medicijngebruik van appellante in februari 2012 en haar verklaring dat zij inschat per maand vier tot vijf dagen niet te kunnen werken, berekend dat in februari 2012 sprake was van vier dagen waarop appellante hoofdpijn had, die leidde tot een verminderde concentratie. Op basis hiervan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat er op vier dagen een risico op verhoogd ziekteverzuim bij appellante bestond. Uit de rapporten van Mulleners heeft de Raad bij gebreke van een eigen inschatting daarin van deze neuroloog niet kunnen afleiden dat de inschattingen van Dellemijn en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist moeten worden gehouden.


4.2.2.

Het ingeschatte risico van vier dagen verhoogd ziekteverzuim in februari 2012 als vermeld in 4.2.1 leidt tot een ziekteverzuim van ongeveer 15%. Volgens rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2597, brengt een ziekteverzuim van ongeveer 15% niet mee dat van een werkgever vanwege excessief ziekteverzuim tewerkstelling van een werknemer in redelijkheid niet kan worden verlangd. Van een situatie als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit was ten tijde van de datum in geding dan ook geen sprake.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante op de datum in geding medisch in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies te verrichten.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) S. Aaliouli



TM