Centrale Raad van Beroep, 17-04-2015 / 13-5883 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1452

Inhoudsindicatie
Het hoger beroep is gericht tegen de AU voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De gronden zijn van louter medische aard. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is en er geen grond bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat van de medische beoordeling. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat appellant medisch in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-5883 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5883 WIA

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

25 september 2013, 12/1485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van der Staaij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bepaling van een nader standpunt ingediend.

Appellant heeft een in opdracht van de gemeente Haarlem door Argonaut opgesteld rapport “medische indicatie Wet Maatschappelijke Ondersteuning” over appellant van 14 oktober 2013 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 21 juli 2009 in dienst getreden bij [BV] voor 28 uur per week. Op 28 juli 2009 is hij wegens lichamelijke en psychische klachten voor dit werk uitgevallen.


2.1.

Bij besluit van 20 juli 2011 heeft het Uwv, voor zover thans nog van belang, vastgesteld dat voor appellant met ingang van 26 juli 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


2.2.

Bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op minder dan 35%.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe - samengevat en thans nog van belang - overwogen dat er geen gronden zijn te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en de uit dit onderzoek door deze arts getrokken conclusies. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv een onjuiste maatmanfunctie heeft gehanteerd. Omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij hantering van de juiste maatmanfunctie minder dan 35% blijft, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.


4.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat en dat hij niet in staat is de voorbeeldfuncties te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van Argonaut van 14 oktober 2013 overgelegd.


4.2.

Het Uwv heeft aangevoerd dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.




5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Vastgesteld wordt dat uitsluitend appellant in hoger beroep is gekomen, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.


5.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn van louter medische aard. De stelling van appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is, slaagt niet. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier heeft bestudeerd, de hoorzitting heeft bijgewoond en informatie van de behandelend sector bij haar beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is. Appellant heeft zijn stelling dat dit onderzoek niet zorgvuldig was niet nader geconcretiseerd. Naar aanleiding van hetgeen in bezwaar naar voren is gebracht, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat bij appellant beperkingen bestaan. Met name zijn bij appellant chronische longproblematiek, klachten van de nek, schouder en rug en psychische klachten geconstateerd. Gelet op alle beschikbare medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellant minder psychische beperkingen dan de verzekeringsarts gehandhaafd en voorts de beperkingen voor de longaandoening gehandhaafd. Terecht is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat van de medische beoordeling zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 december 2011. Het rapport van Argonaut van 14 oktober 2013 is opgesteld in het kader van een door appellant aangevraagde WMO-voorziening. Dit rapport bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is onderschat. Dit geldt te meer nu in dit rapport wordt vermeld dat de longaandoening, die in de loop der jaren aanzienlijk is verslechterd, in een brief van de longarts van 5 juni 2003 werd geduid als een matig obstructieve longfunctiestoornis en eerst op 8 augustus 2012 als ernstig COPD en longemfyseem. Hetgeen appellant verder in hoger beroep naar voren heeft gebracht, vormt evenmin aanleiding voor een ander oordeel.


5.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 15 december 2011 heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat appellant medisch in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank tevens met juistheid vastgesteld dat het percentage arbeidsongeschiktheid van appellant onder de 35 blijft.


5.4.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen plaats.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) S. Aaliouli




NK