Centrale Raad van Beroep, 01-05-2015 / 13-3886 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1455

Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is gerectificeerd door de rectificatieuitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3998. De tekst van deze uitspraak is niet meer geldig. Zie ECLI:NL:CRVB:2015:3999 voor de gerectificeerde uitspraak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-3886 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3886 WIA

Datum uitspraak: 1 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 juni 2013, 12/2750 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] , gevestigd te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.A.M. Houberg, werkzaam bij Houberg Advies B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2015. Namens appellante is haar gemachtigde Houberg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN


1.1.

[werknemer], (werknemer) is werkzaam geweest als directeur van appellante en is op 21 maart 2011 uitgevallen met zeer ernstige en acute hart- en vaatproblematiek waarvoor hij direct op 21 maart 2011 is geopereerd. Na deze ingreep resteren ernstige energetische beperkingen, verlammingsverschijnselen van het rechteronderbeen en gevoelsverlies in de rechtervoet als gevolg van zenuwbeschadigingen. Werknemer heeft op 22 juli 2011 een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vermelde inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) met verkorte wachttijd.


1.2.

Werknemer is in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag onderzocht door een verzekeringsarts. Omdat opgevraagde informatie door de verzekeringsarts bij de cardioloog niet is verkregen, heeft deze arts op grond van de reeds wel beschikbare informatie van

11 mei 2011 van de cardioloog aangegeven dat er, gelet op de hartrevalidatie en de fysiotherapie van het rechterbeen, mogelijkheden aanwezig worden geacht om de belastbaarheid te vergroten. Hierdoor wordt een kans op herstel niet uitgesloten geacht en is een verkorte wachttijd niet aan de orde. In lijn met de bevindingen van de verzekeringsarts is bij besluit van 5 oktober 2011 de aanvraag van werknemer afgewezen onder de overweging dat werknemer van appellante niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.


1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 oktober 2011. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het beoogde functieherstel van het rechterbeen, ook na revalidatie van vijf maanden, minimaal is en niet is aan te merken als verbetering van de belastbaarheid. Voorts heeft appellante aangegeven dat ten tijde van de beoordeling van de IVA-aanvraag bij werknemer een andere ernstige aandoening aan het licht is gekomen. Daartoe is een brief van 30 september 2011 van de uroloog overgelegd waarin is aangegeven dat bij de werknemer de (dominante) linkernier vanwege maligne-cellen moet worden verwijderd. De verzekeringsarts had deze nierproblematiek bij de beoordeling van de verkorte IVA-aanvraag moeten betrekken en had daarover informatie moeten inwinnen bij de behandelend sector, temeer omdat uit de brief van 30 september 2011 kon worden afgeleid dat na verwijdering van de linkernier, een rechternierfunctie van 23% zou resteren. Gelet op (de combinatie van) beide aandoeningen is kans op herstel uitgesloten.


1.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 30 maart 2012 te kennen gegeven dat op het einde van de verkorte wachttijd, op grond van de informatie van de cardiochirurg van 11 mei 2011 niet geconcludeerd kan worden dat verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten zodat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Vanwege de mogelijkheid tot nierdialyse en eventueel een niertransplantatie is met betrekking tot nierproblematiek kans op herstel evenmin uitgesloten. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van appellante bij besluit van 4 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat een betrokkene slechts een vervroegd recht heeft op een

IVA-uitkering, als ten tijde van de beoordeling blijkt dat herstel is uitgesloten. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om de conclusies van de verzekeringsartsen aangaande een niet uit te sluiten relevant herstel van bij werknemer aanwezige medische problematiek voor onjuist te houden. Dat opgevraagde informatie van de cardioloog niet was ontvangen, brengt niet mee dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest, temeer niet nu rekening is gehouden met alle beschikbare informatie van, onder meer, de bedrijfsarts en een brief van de cardioloog van 11 mei 2011. Uit deze laatste brief kan niet worden afgeleid dat gelet op de datum in geding van 5 oktober 2011, herstel van het rechterbeen uitgesloten moet worden geacht. Ten aanzien van de nierfunctie heeft de rechtbank overwogen dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten kan worden afgeleid dat bij verdere verslechtering van de resterende nierfunctie medische interventie zou moeten plaatsvinden met gevolgen voor de functionele mogelijkheden maar dat uit de stukken niet blijkt dat een zodanige verslechtering aan de orde was op de datum in geding.


3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat niet de gehele medische problematiek van de werknemer in al zijn facetten bij de IVA-beoordeling is betrokken. De beperkingen als gevolg van het vaatlijden zullen gelet op het chronische en in ernst toenemende karakter daarvan alleen maar verslechteren. Daarnaast heeft werknemer ondanks revalidatie van vijf maanden een blijvend functieverlies van het rechteronderbeen met een klapvoet. Verbetering is niet ingetreden. Tevens was ten tijde van de IVA-beoordeling bekend dat de dominante linkernier vanwege een tumor verwijderd moest worden en dat vervolgens een rechternierfunctie van slechts 23% zou resteren. Een mogelijk herstel van functionele mogelijkheden van de nierfunctie, waarbij de verzekeringsarts wijst op dialyse en eventueel een niertransplantatie, acht appellante niet reëel.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 26 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV2014) heeft overwogen is het uitgangspunt dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd. Dit is door de wetgever tot uitdrukking gebracht door in artikel 23, zesde lid, van de wet WIA uitdrukkelijk slechts te verwijzen naar het tweede lid van artikel 4 en niet ook naar het derde lid of naar artikel 4, zonder verdere beperking. Dit betekent dat het Uwv in het kader van een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is kan geen sprake zijn van een toekenning van uitkering met toepassing van een verkorte wachttijd.


4.2.

Het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunt dat de kans op herstel niet is uitgesloten, berust niet op een zorgvuldige medische grondslag. Gelet op de brief van 30 september 2011 van de uroloog was, in ieder geval, de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten tijde van zijn (her)beoordeling ervan op de hoogte (geraakt) dat de werknemer van appellante naast de ernstige hart- en vaataandoening, een ernstig nierprobleem erbij had gekregen. Voorts was bij die herbeoordeling ook reeds duidelijk dat de linkernier op korte termijn zou moeten worden verwijderd. Hoewel de gevolgen van deze operatie zich ten tijde in geding, namelijk op het einde van de verkorte wachttijd, nog niet deden gevoelen, had dit, nu de operatie aanstaande was en ook vanwege de reeds duidelijke restfunctie van de rechternier, voor verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding moeten zijn om de behandelend specialisten gelet op de combinatie van beide aandoeningen, te consulteren over de kans op herstel van arbeidsmogelijkheden na een eventueel revalidatietraject. Nu geen informatie is gevraagd noch is gebleken van een kenbare medische afweging waarbij de invloed van deze aandoeningen op elkaar en de herstelkans van de aandoeningen na te volgen revalidatiebehandelingen zijn betrokken, berust het bestreden besluit op een onvoldoende concrete en deugdelijke onderbouwing en is daarom ontoereikend gemotiveerd.


4.3.

Voorts is uit de stukken gebleken dat het Uwv aan de werknemer van appellante een IVA-uitkering heeft toegekend na afloop van de reguliere wachttijd van 104 weken. Gelet op deze IVA-toekenning, het ziekteverloop van beide aandoeningen zoals deze uit de stukken naar voren komt en het nu verstreken tijdsverloop, ziet de Raad geen aanleiding het Uwv in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen. De Raad is van oordeel dat het Uwv werknemer van appellante ten onrechte niet reeds met ingang van 5 oktober 2011 in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering.


4.4.

Op grond van wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het beroep van appellante is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 5 oktober 2011 te herroepen en te bepalen dat werknemer met ingang van 5 oktober 2011 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA.


5. Ten slotte zal de Raad het Uwv veroordelen in de kosten die appellante in verband met de kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken. De kosten in bezwaar voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.225,-. De proceskosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden begroot op € 1.225,- in beroep en € 980,- in hoger beroep. Van andere te vergoeden kosten is niet gebleken.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 4 april 2012;
  • - herroept het besluit van 5 oktober 2011 en bepaalt dat de werknemer van appellante met ingang van 5 oktober 2011 recht heeft op een IVA-uitkering;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.430,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 478,- (€ 0,- in beroep en € 478,- in hoger beroep) vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en P.H. Banda en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) P. Uijtdewillegen





MK