Centrale Raad van Beroep, 08-05-2015 / 13-4197 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1465

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering toeslag. Boete. Appellant heeft de wijziging in het inkomen van zijn echtgenote niet tijdig aan de Svb medegedeeld. Schending informatieplicht. Beleid consistent toegepast. Geen dringende om van terugvordering af te zien. Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken en de hoogte van de boete is niet onevenredig gelet op de aard van de overtreding en het appellant te maken verwijt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-08
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-4197 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4197 AOW, 13/4198 AOW

Datum uitspraak: 8 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

26 juni 2013, 13/28 en 13/29 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] en zijn zoon [naam zoon]De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds januari 2005 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Ook ontving hij een toeslag ingevolge die wet voor zijn echtgenote. Vanaf juli 2011 ontvangt de echtgenote van appellante een AOW-pensioen.


1.2.

In juli 2011 is de Svb door een gegevensuitwisseling met de Belastingdienst ervan op de hoogte geraakt dat de echtgenote van appellant vanaf augustus 2006 een pensioen van Aegon ontvangt.


1.3.

Bij besluit van 30 november 2011 heeft de Svb de aan appellant toegekende toeslag herzien over de periode van augustus 2006 tot en met juni 2011.


1.4.

Bij besluit van 8 december 2011 heeft de Svb over de periode van augustus 2006 tot en met juni 2011 een bedrag van € 5.110,63 aan te veel betaald AOW-pensioen van appellant teruggevorderd. Ook is een boete opgelegd van € 520,-, omdat appellant de wijziging van het inkomen van zijn echtgenote niet binnen vier weken heeft doorgegeven.


1.5.

Bij beslissingen op bezwaar van 21 november 2012 (bestreden besluiten) is het bezwaar tegen de herziening, de terugvordering en de boete ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het hem redelijkerwijs niet duidelijk heeft kunnen zijn dat hij het pensioen van zijn echtgenote aan de Svb had moeten melden. Appellant is ervan uitgegaan dat het geringe bedrag onder de vrijstelling van inkomen van een partner viel en heeft het pensioen van zijn echtgenote om die reden te goeder trouw niet aan de Svb gemeld. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hij het pensioen altijd aan de Belastingdienst heeft opgegeven en de Svb door de koppeling met het systeem van de Belastingdienst op de hoogte had kunnen zijn van het inkomen van zijn echtgenote. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de Svb onduidelijk is in haar informatie over welk soort inkomen moet worden gemeld en dat de opgelegde boete onterecht is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven over de herziening van de toeslag AOW, de terugvordering van het te veel betaalde bedrag en de opgelegde boete.


4.2.

Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant over de periode van augustus 2006 tot en met juni 2011 geen recht had op een volledige toeslag AOW, omdat de Svb bij de berekeningen van de hoogte van de toeslag over die periode geen rekening heeft gehouden met het pensioen dat de echtgenote van appellant sinds augustus 2006 ontving. Verder is tussen partijen evenmin in geschil dat de Svb op grond van de artikelen 17 en 17a van de AOW verplicht is tot herziening van de toeslag met terugwerkende kracht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Svb, gelet op de omstandigheden van dit geval, geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van de herziening.


4.3.

De Svb heeft beleid ontwikkeld over het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.


4.4.

Verder blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Daarbij is van belang de mate waarin een betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de herziening onevenredig ingrijpend is in het dagelijks leven van de betrokkene. Als sprake is van kennelijke onredelijkheid dan wordt de herziening in beginsel beperkt tot de helft. Indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de Svb van dit uitgangspunt afwijken.


4.5.

Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van

5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het hiervoor onder 4.3 en 4.4 weergegeven beleid van de Svb aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.


4.6.

Allereerst moet worden vastgesteld dat appellant de wijziging in het inkomen van zijn echtgenote niet tijdig aan de Svb heeft medegedeeld. Daardoor heeft appellant niet voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 49 van de AOW. Het had aan appellant uit de bij de aanvraag van het ouderdomspensioen verstrekte informatie duidelijk kunnen zijn dat de wijziging in het inkomen van zijn echtgenote van belang kon zijn voor de aanspraak op en de hoogte van de toeslag AOW en dat deze wijziging onverwijld gemeld had moeten worden. Namens appellant is ter zitting toegelicht dat bij de aanvang van het prepensioen van de echtgenote de website van de Svb is geraadpleegd, maar dat uit de informatie op de website niet duidelijk was dat een prepensioen ook onder inkomen viel dat gemeld had moeten worden. Voor zover de informatie op de website van de Svb onvoldoende helder was hierover, had het op de weg van appellant gelegen telefonisch navraag te doen bij de Svb. Dit betekent dat appellant de informatieplicht heeft geschonden en dat het hem bovendien redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij vanaf augustus 2006 te veel toeslag ontving, zodat er voor de Svb geen aanleiding bestond om op grond van het beleid geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

4.7.

Verder is niet gebleken dat de Svb het hiervoor onder 4.4 omschreven - op artikel 3:4 van de Awb gebaseerde - onderdeel van het beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. Appellant heeft aangevoerd dat de Svb, gelet op de opgaaf van inkomsten aan de Belastingdienst en de koppeling van de systemen van deze instantie met die van de Svb, bekend had kunnen zijn met het inkomen van zijn echtgenote. In dat verband heeft de Svb ter zitting toegelicht dat uitgangspunt is dat een uitkeringsgerechtigde met betrekking tot het recht op ouderdomspensioen en de toeslag zelf contact dient op te nemen met de Svb. De koppeling met het systeem van de Belastingdienst was in die tijd slechts een controlemechanisme, maar liet voormeld uitgangspunt onverlet. Dit standpunt van de Svb wordt door de Raad volledig onderschreven. Dit houdt in dat niet gezegd kan worden dat er voor de Svb in enige mate een verwijt kan worden gemaakt en dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Dit betekent dat er voor de Svb geen aanleiding was af te zien van herziening met volledige terugwerkende kracht.


4.8.

Over de terugvordering moet voorop worden gesteld dat de Svb op grond van artikel 24 van de AOW gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vijfde lid van artikel 24 van de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hiervoor bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en of sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien.


4.9.

Onder 4.6 is al vastgesteld dat appellant de informatieplicht als bedoeld in artikel 49 van de AOW heeft geschonden. Hierdoor is de Svb in beginsel gehouden appellant een boete op te leggen.


4.10.

Ingevolge artikel 17c, tweede lid (oud), van de AOW wordt de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de gedraging de pensioengerechtigde kan worden verweten. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Ingevolge het zevende lid van dat artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.


4.11.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Boetebesluit sociale verzekeringswetten waarin ten tijde hier van belang in artikel 2 was bepaald dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en ten minste wordt vastgesteld op € 52,-. De bestuurlijke boete wordt naar boven afgerond op een veelheid van € 10,- en bij verminderde verwijtbaarheid wordt de boete verlaagd.


4.12.

Nu appellant over de periode van augustus 2006 tot en met juni 2011 een bedrag van

€ 5.110,63 te veel aan toeslag heeft ontvangen, moet het boetebedrag worden vastgesteld op

€ 520,-. Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken en op de hoogte van de boete is niet onevenredig gelet op de aard van de overtreding en het appellant te maken verwijt.


4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moeten worden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) P. Uijtdewillegen




NK