Centrale Raad van Beroep, 03-04-2015 / 13-4670 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1467

Inhoudsindicatie
Procesbelang: voor appellant gold een inkomenseis tijdens de LGU-periode. Nu het besluit met betrekking tot de VVU nog niet in rechte vast is komen te staan, is er een procesbelang bij het aanvechten van de mate van arbeidsongeschiktheid tijdens de LGU-periode, ook al is de LGU-periode reeds geëindigd. Met betrekking tot de verzekeringsgeneeskundige kant van de besluitvorming is er geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-4670 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4670 WIA

Datum uitspraak: 3 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juli 2013, 13/136 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 27 oktober 2009 uitgevallen voor zijn werk als material handeling operator vanwege gewrichtsklachten en spanningsklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is bij besluit van 22 december 2011 vastgesteld dat hij vanaf 1 november 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU). Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 75%. Hieraan ligt onder meer het rapport van de verzekeringsarts van 24 november 2011 ten grondslag. Deze heeft vastgesteld dat appellant een reumatische aandoening heeft die samenhangt met een huidafwijking, astma en een aangeboren afwijking aan zijn beide voeten. Als gevolg hiervan bestaan er beperkingen van de mogelijkheden om te functioneren. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 12 december 2011 geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor het eigen werk en geschikt geacht kan worden voor fysiek lichte, overwegend zittende werkzaamheden, in dagdienst, waarin geen grote kracht met de hand en vingers gezet moet worden.


1.2.

Op 20 februari 2012 heeft appellant melding gedaan van verslechtering van zijn gezondheid. Bij besluit van 4 mei 2012 heeft het Uwv na herbeoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant onveranderd vastgesteld op 75%. Daaraan ligt het standpunt van de verzekeringsarts ten grondslag dat er geen toegenomen afwijkingen en beperkingen zijn. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.3.

Bij besluit van 20 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 augustus 2012 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 november 2012. Gezien de onderzoeksbevindingen van de primaire verzekeringsarts en tijdens bezwaar alsmede de informatie van de behandelend reumatoloog heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat er sinds februari 2012 een duidelijke toename is van de beperkingen van het gebruik van de hand. Hetzelfde geldt voor de overige gewrichten, te meer omdat appellant niet bekend is met periodes van acute verslechtering. De beperkte flexie van de wijsvinger rechts was reeds bekend en is meegewogen bij het vaststellen van de beperkingen in november 2011. Deze beperkingen zijn onveranderd aan de orde. Het feit dat de medicatie van betrokkene de laatste jaren niet gewijzigd is laat ook zien dat er geen sprake is van een duidelijke verslechtering van zijn toestand. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport de arbeidsdeskundige gevolgd en appellant ongeschikt geacht voor het eigen werk en de geduide functies geschikt geacht voor appellant.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Met betrekking tot de verzekeringsgeneeskundige grondslag is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder de aandoening artritis psoriatica. In beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd om zijn stelling te onderbouwen dat hij meer beperkingen heeft dan is aangenomen. De rechtbank gaat dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 mei 2012.


2.2.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML en daarbij de toelichting betrokken die de arbeidsdeskundigen hebben gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant in de geduide functies niet wordt overschreden.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd - kort samengevat - dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Hij acht zich niet in staat 300 keer per uur voorwerpen van een kilo op te pakken. Daarbij heeft hij erop gewezen dat zijn reumatoloog dit beaamt en zegt dat hij dan ontstekingen aan zijn pezen krijgt. Verder heeft appellant ontstekingen aan zijn tenen waardoor autorijden pijnlijk is. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant in hoger beroep een huisartsenjournaal van 10 oktober 2014 en een brief van zijn behandelend reumatoloog van 29 januari 2015 overgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Voorts heeft het Uwv ter zitting bij de Raad opgemerkt dat de periode van de LGU is geëindigd en dat appellant per 25 mei 2014 een WGA-vervolguitkering (VVU) ontvangt. Tegen de besluitvorming daaromtrent heeft appellant rechtsmiddelen aangewend. Gezien de nadere besluitvorming is de vraag aan de orde of er in deze procedure sprake is van voldoende procesbelang.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8613, overweegt de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het (hoger) beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.


4.1.2.

Artikel 60, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bepaalt dat de inkomenseis voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk is aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, dan geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. Bij de vraag of betrokkene na afloop van de LGU recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering of een VVU, die voor wat betreft hoogte van elkaar verschillen, is van belang of er een inkomenseis geldt. Gelet op de uitspraak van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:BZ1485, heeft deze in de Wet WIA geregelde consequentie van de mate van arbeidsongeschiktheid er toe geleid om, bij de vraag of procesbelang aanwezig is, de gevolgen van het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de LGU te betrekken.


4.1.3.

Het Uwv heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 35 tot 80% bedraagt. Dit betekent dat er voor appellant een inkomenseis geldt. In een situatie als deze leveren de bij appellant bestaande bezwaren tegen de mate van arbeidsongeschiktheid van 75% tijdens de LGU-periode een procesbelang op als bedoeld in overweging 4.1.1. Met het aanvechten van de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 februari 2012 kan appellant immers bewerkstelligen dat voor hem geen inkomenseis was gaan gelden. De inkomenseis van appellant die voor hem gold per 1 november 2011 heeft immers rechtstreeks gevolg gehad voor de soort en hoogte van de uitkering die volgt op de LGU; appellant is namelijk een VVU toegekend. Dit was anders geweest indien voor appellant per 20 februari 2012 geen inkomenseis gold. Gelet daarop heeft appellant, ondanks dat de LGU-periode reeds is geëindigd, mede nu het besluit met betrekking tot de VVU nog niet in rechte vast is komen te staan, een procesbelang bij het aanvechten van de mate van arbeidsongeschiktheid tijdens de LGU-periode.


4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de verzekeringsgeneeskundige kant van onderhavige besluitvorming vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft toereikend gemotiveerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de verzekeringsartsen bekend waren met de door appellant gestelde klachten en dat er niet te geringe medische beperkingen zijn neergelegd in de FML. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat appellant op de datum in geding niet in staat is tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 300 keer voorwerpen van ruim een kilogram te hanteren. Appellant heeft weliswaar gewezen op het standpunt van zijn behandelaar, maar nagelaten een medisch stuk daarover in het geding te brengen dat betrekking heeft op de datum in geding. Het huisartsenjournaal van 10 oktober 2014 en de brief van de reumatoloog van 29 januari 2015 zien, zoals door het Uwv ter zitting terecht is opgemerkt, niet op de datum in geding. Ook met betrekking tot de ontstekingen aan zijn tenen en zijn stelling dat hij niet acht uur per dag kan autorijden heeft appellant geen medische onderbouwing in het geding gebracht. De Raad volgt dan ook de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapport van 24 september 2013 dat er in hoger beroep geen objectieve medische bevindingen naar voren zijn gekomen op grond waarvan de belastbaarheid van appellant op de datum in geding anders zou moeten worden ingeschat.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de voor appellant geselecteerde functies voor hem medisch geschikt zijn.


4.4.

Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) W. de Braal




KvR