Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 13-5696 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1468

Inhoudsindicatie
Bestreden besluit 1: De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Toereikende grondslag onderzoek voor het standpunt dat appellant feitelijk niet op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had en hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Sprake van een bestuursrechtelijk onderzoek en niet van een strafrechtelijk, dat andere waarborgen biedt aan betrokkene zoals de cautie. Aan de intrekking van het recht op bijstand is samenwoning niet ten grondslag gelegd, daarom zijn ex-echtgenote en moeder niet gehoord en niet bij het onderzoek betrokken. Bestreden besluit 2: vaste rechtspraak dat het op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden en hij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor bijstand. Geen wijziging gemeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-5696 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5696 WWB, 13/5697 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 september 2013, 13/3605 en 13/4484 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 6 januari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.


1.2.

Op 30 juni 2009 heeft appellant een huurovereenkomst getekend voor een zelfstandige woning aan de [adres 1] (uitkeringsadres). Hij heeft zich op dit adres ook ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: Basisregistratie Personen).


1.3.

Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding op 10 augustus 2011 dat appellant samenwoont met zijn ex-vrouw en zijn kinderen op het adres [adres 2], heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan hem verleende bijstand. In dat kader heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de dienst SZW (afdeling Bijzonder Onderzoek) dossieronderzoek gedaan, enkele registers geraadpleegd en diverse instanties en bedrijven, waaronder het waterleidingbedrijf en de energieleverancier, om inlichtingen verzocht. Op 19 oktober 2012 hebben twee handhavingsmedewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek een gesprek gevoerd met appellant. Aansluitend aan het gesprek hebben deze medewerkers een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Op

31 oktober 2012 hebben de medewerkers een zogenoemd confrontatiegesprek met appellant gevoerd. Appellant heeft daarbij een verklaring afgelegd die is weergegeven in een rapportageformulier dat per bladzijde door appellant en door de medewerkers is ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 november 2012.


1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

15 november 2012 de bijstand van appellant met ingang van 19 oktober 2012 in te trekken en de over de periode van 19 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 372,81 van hem terug te vorderen. De besluitvorming berust op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Hierdoor kan het recht op bijstand vanaf 19 oktober 2012 niet langer worden vastgesteld.


1.5.

Bij besluit van 2 april 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2012 ongegrond verklaard.


1.6.

Appellant heeft op 4 december 2012 opnieuw bijstand aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 3 januari 2013 afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


1.7.

Bij besluit van 22 april 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2012 ongegrond verklaard. Daarin heeft het college de motivering van de afwijzing in zoverre aangepast dat de grondslag niet langer het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb is, maar het bepaalde in de artikelen 11 en 17 van de WWB. Deze artikelen hebben betrekking op de kring van rechthebbenden op bijstand en op de inlichtingenverplichting in het kader van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Bestreden besluit 1


4.1.

Ter beoordeling staat de periode van 19 oktober 2012 (de datum van de intrekking van de bijstand) tot en met 15 november 2012 (de datum van het intrekkings- en terugvorderingsbesluit).


4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Omdat het bij de intrekking en terugvordering van bijstand gaat om belastende besluiten, ligt het op de weg van het college om aannemelijk te maken dat appellant ten tijde van belang niet op het uitkeringsadres woonde.


4.3.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van het college een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant gedurende de periode hier in geding feitelijk niet op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had en dat hij hiervan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan. Daartoe is van belang dat tijdens het huisbezoek op 19 oktober 2012 geen enkele indicatie van recente bewoning is aangetroffen. Zo was de houdbaarheidsdatum van zuivelproducten in de koelkast met maanden overschreden en was geen recente voor appellant bestemde post in de woning aanwezig, maar slechts post uit 2010 en 2011. Ook bevond zich in de woning geen recente medicatie van appellant, terwijl hij dagelijks medicijnen moet gebruiken. De oplader van de telefoon van appellant lag evenmin in de woning en er was geen vuile was. Voorts is van belang dat het water-, gas- en energieverbruik van appellant zeer laag was, waarvoor appellant geen duidelijke verklaring heeft weten te geven. Ten slotte zijn de verklaringen die appellant op 19 oktober 2012 heeft afgelegd over wanneer hij voor het laatst in de woning heeft geslapen niet consistent. Appellant verklaarde tijdens het gesprek op kantoor tegenover de handhavingsmedewerkers dat hij “de afgelopen nacht” in zijn woning had geslapen. Tijdens het huisbezoek op diezelfde dag verklaarde hij echter dat dit “eergisteren” voor het laatst was gebeurd.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn eigen verklaring niet mag worden gebruikt, omdat die verklaring onder druk is afgelegd. Voorts is aangevoerd dat appellant niet is gewezen op zijn zwijgrecht, de zogeheten cautie, wat in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


4.5.

De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1394) overwogen dat het college niet gehouden is om de betrokkene waarborgen te bieden als ware hij een verdachte in strafrechtelijke zin. Het gaat hier immers niet om een strafrechtelijk maar om een bestuursrechtelijk onderzoek gericht op de - nadere - vaststelling van het recht op bijstand. Dat appellant voorafgaand aan de afgelegde verklaring niet is gewezen op het feit dat hij het recht heeft te zwijgen, leidt dan ook niet tot de conclusie dat die verklaring door het college niet bij de besluitvorming mocht worden betrokken. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de door hem afgelegde verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven.


4.6.

De beroepsgrond dat de moeder van appellante en zijn ex-echtgenote niet zijn gehoord en niet bij het onderzoek zijn betrokken en dat er niets is gevonden om de mogelijke samenleving met zijn ex-echtgenote te onderbouwen slaagt niet. Het college heeft aan de intrekking van het recht op bijstand niet ten grondslag gelegd dat appellant samenwoont met zijn ex- echtgenote of dat hij bij zijn moeder woont. De grondslag is dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Ook de beroepsgrond van appellant dat het college zijn medische situatie heeft miskend treft geen doel. De reden waarom appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres is niet van belang.


4.7.

Gelet op 4.1 tot en met 4.6 was het college bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 19 oktober 2012 in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.


Bestreden besluit 2


4.8.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak (de uitspraak van de Raad van 23 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2010:BM086) terecht overwogen dat, indien een lopende uitkering is beëindigd, het ingeval van een volgende aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen. Het college heeft in het bestreden besluit terecht aan dit criterium getoetst, en niet zoals in het primaire besluit staat aan artikel 4:6 van de Awb. De beroepsgrond dat appellant in het bestreden besluit van een onjuiste toetsingsmaatstaf is uitgegaan slaagt daarom niet.


4.9.

Volgens appellant zou het feit dat hij bij zijn nieuwe aanvraag om bijstand het uitkeringsadres als zijn woonadres heeft genoemd moeten worden opgevat als gewijzigde omstandigheid. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant had moeten melden wat er is gewijzigd ten opzichte van de woonsituatie waarvan het college eerder is uitgegaan. Appellant heeft echter bij zijn aanvraag bij de Servicedesk gemeld dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.


4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) R.G. van den Berg





MK