Centrale Raad van Beroep, 21-04-2015 / 13-6326 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1469

Inhoudsindicatie
Opschorting en intrekking bijstand. Appellante heeft de gevraagde medewerking geweigerd door niet te verschijnen op de oproep voor het gesprek en niet de gevraagde gegevens te verstrekken. Een anonieme tip, -mits deze relevant, concreet en voldoende onderbouwd is- over de woon- en leefsituatie van een persoon die bijstand aanvraagt of ontvangt, kan aanleiding geven tot het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. De anonieme melding dat appellante voor langere tijd in Pakistan verblijft voldoet, gezien alle details die daarbij zijn genoemd, aan deze voorwaarden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-6326 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6326 WWB

Datum uitspraak: 21 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2013, 13/5793 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 1 september 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding op 9 juli 2013, inhoudende dat appellante al enige tijd in Pakistan verblijft en daar een huis heeft, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft de Dienst Werk en Inkomen (DWI) appellante bij brief van

29 juli 2013 opgeroepen voor een gesprek op 30 juli 2013. Appellante is zonder bericht niet verschenen.


1.2.

Bij besluit van 30 juli 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellante opgeschort vanaf 30 juli 2013 omdat zij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging. In het besluit is opgenomen dat appellante zich op 1 augustus 2013 bij het kantoor van de DWI dient te melden. In het besluit staat ook dat als appellante “onvoldoende gevolg geeft aan deze brief”, het college de uitkering zal beëindigen. Ook aan deze oproep heeft appellante zonder bericht geen gehoor gegeven.


1.3.

Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 30 juli 2013 ingetrokken.


1.4.

Bij besluit van 7 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 30 juli 2013 en 1 augustus 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de beroepsgrond van appellante verworpen dat zij niet tijdig op de hoogte was van de oproepen van het college omdat zij op vakantie was bij een vriendin in Nederland, wat die vriendin schriftelijk heeft bevestigd. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat een handhavingsspecialist van de DWI zowel het opschortings- als het intrekkingsbesluit persoonlijk in de brievenbus van appellante heeft gedeponeerd. Gelet hierop zijn beide besluiten op de voorgeschreven wijze, dat wil zeggen in de zin van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht aan appellante bekendgemaakt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7796. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat van appellante mocht worden verwacht dat zij bij haar afwezigheid maatregelen zou treffen en haar belangen eventueel door een derde zou laten behartigen, zodat ze tijdig op de hoogte had kunnen raken van voor haar bestemde poststukken. De gevolgen van het nalaten hiervan dienen voor rekening en risico van appellante te blijven. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de stelling van appellante dat zij direct na ontvangst van de brieven contact heeft opgenomen met het college niet nader is onderbouwd en dat dit evenmin blijkt uit het dossier. Voorts laat dit onverlet dat het appellante kan worden verweten dat ze niet binnen de door het college gestelde termijnen heeft gereageerd.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De opschorting van het recht op bijstand berust op toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Ingevolge die bepaling heeft het college de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand gedurende ten hoogste acht weken indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.


4.2.

De intrekking van het recht op bijstand berust op artikel 54, vierde lid, van de WWB. Ingevolge die bepaling kan het college het recht op bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover dat recht is opgeschort als de belanghebbende na de opschorting het verzuim niet binnen de hem daarvoor gestelde termijn herstelt.


4.3.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante de gevraagde medewerking heeft geweigerd door niet te verschijnen op de oproep voor het gesprek op 30 juli 2013. Aan appellante was gevraagd om bankafschriften van de laatste drie maanden naar het gesprek mee te nemen. Doordat appellante niet is verschenen heeft het college geen kennis kunnen nemen van die bankafschriften en zijn daardoor de gevorderde gegevens niet verstrekt. Met de oproep om alsnog te verschijnen voor een gesprek op 1 augustus 2013 is zij in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Appellante heeft echter van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.


4.4.

Niet in geschil is dat de beoogde gesprekken met appellante en de aan haar gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van de bijstand en dat appellante niet op de oproepen is verschenen. Het gaat om de vraag of dit appellante kan worden verweten.


4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat zij eerst na 1 augustus 2013 de brieven van het college onder ogen kreeg. Direct na ontvangst van het opschortings- en intrekkingsbesluit heeft zij contact opgenomen met de DWI. De gemachtigde van het college heeft ter zitting van de rechtbank erkend dat appellante heeft gebeld. Daarvan zijn geen aantekeningen gemaakt. Volgens appellante is aannemelijk dat de inhoud van dit telefoongesprek de aan appellante toegezonden brieven betrof. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij hierdoor haar medewerkingsplicht niet heeft geschonden.


4.6.

De gemachtigde van het college heeft op de zitting in eerste aanleg bestreden dat appellante direct na 1 augustus 2013 contact heeft opgenomen met de DWI. Dit was volgens de gemachtigde van het college pas veel later het geval, naar aanleiding van de stopzetting van de uitkering. De Raad stelt vast dat niet duidelijk is geworden wanneer het contact precies heeft plaatsgevonden en waarover dit ging. Dit is echter minder van belang. Het gaat hier immers om de vraag of het appellante kan worden verweten dat zij niet is verschenen op de oproepen op 30 juli 2013 en 1 augustus 2013. Wat er na 1 augustus 2013 is gebeurd kan daarbij geen rol meer spelen. De onder 4.5 genoemde beroepsgrond treft daarom geen doel.


4.7.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij wel degelijk maatregelen had getroffen om haar post te ontvangen. Zij ging eenmaal per week haar post ophalen. Voorts heeft zij aangevoerd het onbegrijpelijk te vinden dat een rechtmatigheidsonderzoek is gestart op basis van een anonieme melding van 9 juli 2013, maar dat het college niet heeft getracht om tussen 9 juli 2013 en 29 juli 2013 op enige wijze met haar in contact te komen. Men had haar immers ook kunnen bellen. De intrekking van de bijstand berust volgens appellante niet op een redelijke belangenafweging en is buiten proportie. Het college had een lichtere maatregel kunnen toepassen.


4.8.

In de aangevallen uitspraak is overwogen dat de aan appellante gestelde termijnen niet zo kort waren dat het onmogelijk was om aan de oproepen te voldoen of om (telefonisch) contact op te nemen waarbij eventueel om uitstel had kunnen worden gevraagd. Het gaat hier om de persoonlijk bezorgde uitnodiging van 29 september 2013 voor een gesprek op

30 september 2013 en het persoonlijk bezorgde opschortingsbesluit van 30 juli 2013 voor een gesprek op 1 augustus 2013. De termijn bedroeg derhalve respectievelijk één dag en twee dagen. De vraag of deze termijnen niet te kort waren behoeft in dit geding niet aan de orde te komen. Appellante heeft niet de post gemist omdat ze één of twee dagen niet thuis was, maar omdat ze langere tijd weg was, zonder dit aan het college te melden. De vriendin van appellante heeft verklaard dat appellante van eind juni 2013 tot en met eind augustus 2013 bij haar heeft verbleven. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het risico dat appellante in die periode belangrijke post van het college mist door slechts eenmaal per week de post op te halen, voor haar rekening moet komen.


4.9.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307) kan, mits deze relevant, concreet en voldoende onderbouwd is, een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van een persoon die bijstand aanvraagt of ontvangt aanleiding geven tot het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. De anonieme melding dat appellante voor langere tijd in Pakistan verblijft voldoet, gezien alle details die daarbij zijn genoemd, aan deze voorwaarden. Het college is in zo’n geval niet gehouden om telefonisch contact op te nemen met de betrokkene. Dit is voor het college geen gebruikelijke manier van communiceren. Bovendien zou het afbreuk doen aan de mogelijkheid om de woon- en leefsituatie te verifiëren omdat betrokkene dan de gelegenheid zou hebben om daarin wijziging aan te brengen.


4.10.

In het in hoger beroep ingediende verweerschrift heeft het college terecht opgemerkt dat het opleggen van een maatregel hier niet aan de orde is, omdat het hier gaat om de toepassing van artikel 54 van de WWB. Uit wat appellante als persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd kan niet worden geconcludeerd dat het college niet van zijn bevoegdheid om de uitkering op te schorten en in te trekken gebruik zou mogen maken. Dat appellante vanwege eerdere inbraken niet alleen in huis wilde verblijven kan geen rol spelen, nu de reden voor haar verblijf op een ander adres niet van belang is.


4.11.

Uit 4.6 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) R.G. van den Berg





MK