Centrale Raad van Beroep, 07-05-2015 / 13-5195 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1473

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Drugshandel. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-07
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-5195 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5195 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

9 augustus 2013, 12/1975 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.H.M. Nijsten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Namens appellant is verschenen mr. Nijsten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Quaedvlieg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 15 januari 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van een melding van de politie Regio Limburg-Zuid dat appellant op

25 februari 2012 met een bedrag van € 1.640,- op zak is aangehouden als verdachte wegens het handelen in verdovende middelen, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld om aan te tonen welke werkzaamheden hij heeft verricht en welke inkomsten hij heeft genoten uit de handel in verdovende middelen. In dat kader heeft het college onder andere bankafschriften opgevraagd. Op 17 april 2012 is appellant door de sociale recherche verhoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2012.


1.3.

Bij besluit van 10 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 15 januari 2010 ingetrokken en de over de periode van 15 januari 2010 tot 1 maart 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 27.220,82. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant al sinds 2009 in drugs handelt en voor ongeveer € 100,- per dag drugs gebruikt. Appellant heeft de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te melden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert in dat verband - voor zover hier van belang - aan dat de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd niet juist is weergegeven. Hij ontkent dat hij in de (gehele) te beoordelen periode heeft gehandeld in verdovende middelen. Appellant stelt dat hij het geldbedrag van € 1.640,- heeft geleend van zijn dochter. Voorts stelt appellant dat er voor het opvragen van zijn bankafschriften geen aanleiding bestond. Appellant heeft voor de contant gestorte geldbedragen op zijn bankrekening plausibele verklaringen gegeven.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vaststaat dat appellant op 25 februari 2012 is aangehouden op verdenking van handel in verdovende middelen. Hij heeft toen ten overstaan van een hoofdagent van de politie, in antwoord op de vraag hoe lang hij al verdovende middelen verkoopt, verklaard dat hij in 2009 is gepakt met harddrugs en dat hij sinds twee jaar vrij is. Hij is verdovende middelen blijven gebruiken en hij verkoopt vaker om zijn gebruik te kunnen bekostigen. Uit het verhoor blijkt dat appellant voor ongeveer € 100,- per dag aan verdovende middelen gebruikt. Appellant kan niet zeggen hoe vaak hij verkoopt, in ieder geval meerdere keren per week.


4.2.

Anders dan appellant heeft betoogd, bestaat geen aanleiding hem niet te houden aan deze verklaringen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een verbalisant van de politie afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. De verklaring van appellant is opgenomen in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij deze verklaring niet in vrijheid, dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Van belang is dat appellant een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd en zijn verklaring, na lezing, per pagina heeft geparafeerd en zonder enig voorbehoud heeft ondertekend.


4.3.

De verklaring van appellant biedt voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de gehele te beoordelen periode van 15 januari 2010 tot en met 10 mei 2012

- en niet slechts een deel daarvan - heeft gehandeld in verdovende middelen. Hij heeft in de gehele te beoordelen periode zo'n € 100,- per dag aan verdovende middelen gebruikt. Voor dit gebruik is behalve in de in 4.1 genoemde verklaring ook steun te vinden in de verklaring die appellant op 17 april 2012 ten overstaan van een sociaal rechercheur heeft afgelegd. Appellant verkocht meerdere keren per week verdovende middelen om in dat gebruik te voorzien. Door daarvan geen melding te maken bij het college, heeft hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan appellant om aan te tonen dat, indien hij de inlichtingenverplichting wel was nagekomen, hij toch recht zou hebben gehad op bijstand. Hij heeft dit niet gedaan.


4.4.

Alleen al gelet op wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, kan de intrekking stand houden. De overige gronden, die betrekking hebben op de opgevraagde (en niet overgelegde) bankafschriften, de stortingen die daarop in de gehele te beoordelen periode te zien zijn en de € 1.640,- die appellant bij zijn aanhouding bij zich had, behoeven gelet daarop geen bespreking.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.




(getekend) P.W. Straalen




(getekend) C.M. Fleuren





MK