Centrale Raad van Beroep, 29-04-2015 / 13-4208 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1478

Inhoudsindicatie
Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de gedagtekende verklaringen van de artsen, de beslissing van het college alsmede uit de toekenning door het college van de tegemoetkoming uit het profileringsfonds genoegzaam dat artsen en het college van opvatting zijn dat appellante als gevolg van een functiestoornis of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen de duur van de prestatiebeurs. Voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.6, tiende lid, van de Wsf 2000. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 5.6, tiende lid, van de Wsf 2000. Vernietiging besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat bij het bestreden besluit de duur van de prestatiebeurs met acht maanden wordt verlengd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-12
Zaaknummer
13-4208 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/4208 WSF

Datum uitspraak: 29 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2013, 12/2045 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft A. Sprée, moeder van appellante, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015. Namens appellante is verschenen A. Sprée. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Aan appellante is vanaf 1 september 2006 gedurende één jaar prestatiebeurs toegekend voor het volgen van een hbo-opleiding vormgeving. Hierna heeft zij één jaar gewerkt. Per

1 september 2008 is aan haar gedurende drie jaren prestatiebeurs toegekend voor een studie Algemene cultuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen (RUN). Vanaf

1 september 2011 ontvangt zij studiefinanciering in de vorm van een lening.


1.2.

Op 14 maart 2012 heeft appellante verzocht om verlenging van de prestatiebeurs ten einde haar bachelor opleiding te kunnen afronden. Ter toelichting heeft zij vermeld dat zij door ziekte studievertraging heeft opgelopen in het studiejaar 2010-2011, het derde jaar van haar bachelor.


1.3.

Bij besluit van 4 april 2012 heeft de minister het verzoek afgewezen, omdat het verzoek niet wordt ondersteund door een verklaring van de decaan van de universiteit.


1.4.

Bij besluit van 7 juli 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat door het ontbreken van een verklaring van de onderwijsinstelling niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het verlengen van de prestatiebeurs.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Indien de verklaring van het bestuur van de onderwijsinstelling ontbreekt, bestaat geen ruimte tot verlenging van de prestatiebeurs, gelet op het dwingende karakter van artikel 5.6, tiende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De minister heeft niet de mogelijkheid om de weigering van het bestuur van de onderwijsinstelling om die verklaring te verstrekken zelfstandig inhoudelijk te beoordelen.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat zij ondanks het ontbreken van de verklaring van de decaan van de universiteit voldoende gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat zij heeft voldaan aan de wettelijke voorwaarden. Door het ten onrechte niet verlengen van de prestatiebeurs heeft zij bovendien schade geleden bestaande uit de voor haar studie gemaakte reiskosten gedurende de uitgelopen bachelor opleiding van in totaal € 493,20.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 5.6, tiende lid, van de Wsf 2000 verlengt de minister op aanvraag van de student de duur van de prestatiebeurs eenmalig met één jaar indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuigelijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen af te ronden binnen het aantal jaren prestatiebeurs.


4.2.

Niet in geschil is dat appellante gedurende vier jaar recht heeft op studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs en dat zij daarna gedurende drie jaar recht heeft op een lening.


4.3.

Om voor verlenging van de prestatiebeurs in aanmerking te komen heeft appellante op

14 maart 2012 het formulier voorziening prestatiebeurs (formulier) ingediend bij de minister. Dit formulier heeft de studentendecaan niet ondertekend. Appellante heeft ter toelichting bijgevoegd een e-mail van de decaan van 1 maart 2012. Verder heeft zij gegevens over haar studievoortgang en het door haar huisarts ondertekende formulier medische verklaring overgelegd. Hierin staat dat zij door medische omstandigheden niet kon voldoen aan de prestatie-eisen gedurende de periode van april 2010 tot en met december 2011. In bezwaar heeft zij tevens overgelegd een verklaring van 18 april 2012 van arts J.C.M. Luiten. Hierin licht de arts toe dat de medische klachten van appellante de oorzaak zijn van de door haar ondervonden studievertraging.


4.4.

In beroep heeft appellante overgelegd een beslissing van het college van bestuur van de RUN (college) van 12 juli 2012 (beslissing). Bij deze beslissing heeft het college haar klacht over de weigering van de decaan om haar verzoek tot verlenging van de prestatiebeurs te ondersteunen ongegrond verklaard. In deze beslissing verwijst het college naar een niet betwiste functiebeperking van appellante. Hieruit volgt dat ook het bestuur van de onderwijsinstelling uitgaat van ziekte van appellante. Uit de e-mail van de decaan van 1 maart 2012 en de beslissing van het college komt verder naar voren dat het college aan appellante een tegemoetkoming heeft toegekend uit het Afstudeerfonds (profileringsfonds) voor de duur van vier maanden. Deze toekenning strekt ter uitvoering van artikel 7.51, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en berust op de grond dat appellante in verband met bijzondere omstandigheden bestaande uit chronische ziekte studievertraging heeft opgelopen.


4.5.

Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de onder 4.3 genoemde gedagtekende verklaringen van de artsen, de onder 4.4 genoemde beslissing van het college alsmede uit de toekenning door het college van de tegemoetkoming uit het profileringsfonds genoegzaam dat artsen en het college van opvatting zijn dat appellante als gevolg van een functiestoornis of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examens met goed gevolg af te ronden binnen de duur van de prestatiebeurs. Dit betekent dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.6, tiende lid, van de Wsf 2000. Hieraan doet niet af dat de decaan heeft geweigerd het onder 4.3 genoemde formulier te ondertekenen. De opvatting van het bestuur van de onderwijsinstelling over het oorzakelijke verband tussen de ziekte van appellante en de studievertraging is immers voldoende kenbaar uit de door appellante overgelegde overige gegevens. Onder deze omstandigheden doet zich niet voor dat de minister treedt in de beoordeling van de onderwijsinstelling. Dit zou zich ook niet verdragen met de bedoeling van de wetgever. De geschiedenis van de totstandkoming van het voorheen geldende artikel 17a, zevende lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF; Kamerstukken II, 1994-1995, 24 025, nr. 3, p. 16), dat voor zover hier van belang gelijkluidend was aan artikel 5.6, tiende lid, van de Wsf 2000 vermeldt daarover het volgende. “Gekozen is voor het opnemen in de WSF van een verklaring van de zijde van het betrokken instellingsbestuur, dat de gehandicapte student vanwege zijn handicap niet in staat is tijdig zijn opleiding af te ronden. Een dergelijke verklaring leidt, tezamen met een verklaring van een arts, tot het beoogde rechtsgevolg voor de student van verlenging met een jaar van de aanspraak op studiefinanciering.”


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 5.6, tiende lid, van de Wsf 2000. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.


4.7.

De rechtbank heeft wat onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen niet onderkend. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Mede uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting ziet de Raad tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht en overweegt daartoe het volgende.


4.8.

Gelet op wat is overwogen onder 4.5 komt appellante in aanmerking voor verlenging van de duur van de prestatiebeurs. Ter zitting van de Raad heeft de moeder van appellante namens haar te kennen gegeven dat appellante verlenging van de prestatiebeurs beoogt met acht maanden. De Raad zal daarom bepalen dat bij het bestreden besluit de duur van de prestatiebeurs met acht maanden wordt verlengd.


Schadevergoeding


5. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de minister te kennen gegeven dat indien het hoger beroep slaagt en appellante in aanmerking komt voor verlenging van de prestatiebeurs, zij tevens in aanmerking komt voor schadevergoeding vanwege de door haar gemaakte reiskosten voor het afronden van de bachelor. De Raad zal dienovereenkomstig beslissen.


Proceskosten


6. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op reiskosten in beroep van €41,20 en in hoger beroep € 27,00, tezamen

€ 68,20. De gevorderde kosten voor het versturen van aangetekende brieven vallen niet onder de in artikel 1 van het Besluit proceskosten gegeven limitatieve opsomming van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, zodat het vezoek op dit punt wordt afgewezen.














BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 juli 2012;
  • - bepaalt dat appellante in aanmerking komt voor verlenging van de duur van de prestatiebeurs met acht maanden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 7 juli 2012;
  • - veroordeelt de minister tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 493,20;
  • - veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 68,20;
  • - bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) G.J. van Gendt



IvR