Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-5166 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:148

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. Appellant heeft geen volledige openheid van zaken gegeven over zijn bedrijf in Marokko en hoe hij vanaf 1 juli 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-5166 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5166 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 augustus 2013, 13/4495 en 13/4424 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Busquet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Voor appellant is verschenen mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat en opvolgend gemachtigde. Het college heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 2 januari 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Tijdens het intakegesprek op 2 januari 2013 heeft appellant onder andere verklaard dat hij vanaf juni 2009 tot en met juni 2012 een communicatiebedrijf in Marokko (bedrijf) heeft gehad. In het kader van de afhandeling van de aanvraag heeft het college appellant bij brief van 29 januari 2013 verzocht om uiterlijk 5 februari 2013 een aantal stukken te verstrekken, waaronder bankafschriften van het bedrijf, jaarrekeningen, een bewijs van uitschrijving uit het Marokkaanse handelsregister en een verklaring - ondersteund met bewijsstukken - met betrekking tot de vraag hoe appellant vanaf 1 juli 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.


1.2.

Bij besluit van 19 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juni 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet alle gevraagde gegevens over te leggen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.2.

Appellant heeft diverse stukken, zoals statuten, een akte met betrekking tot een aandelenoverdracht en jaarrekeningen over 2009 en 2010 overgelegd, al dan niet voorzien van een (volledige) vertaling. Appellant heeft daarmee, anders dan hij lijkt te betogen, geen volledige openheid van zaken gegeven. Zo heeft hij geen enkele duidelijkheid verschaft met betrekking tot de vraag hoe hij sinds 1 juli 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Ook heeft hij geen bewijs van uitschrijving uit het Marokkaans handelsregister overgelegd en ontbreken bankafschriften van de zakelijke rekening. Als gevolg daarvan blijft onduidelijk of appellant na de aandelenoverdracht nog bij het bedrijf betrokken is gebleven. De omstandigheid dat appellant bepaalde stukken met betrekking tot het bedrijf heeft weggegooid, de verkrijger van de aandelen appellant bepaalde stukken niet ter beschikking wil stellen en appellant kosten moet maken ter verkrijging van een bewijs van uitschrijving uit het handelsregister, zijn omstandigheden die - gelet op de in 4.1 beschreven bewijslast - voor rekening en risico van appellant komen.

4.3.

Uit wat in 4.2 is overwogen, volgt dat appellant geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dit wordt niet anders omdat uit de niet vertaalde jaarrekeningen over 2009 en 2010 volgens appellant volgt dat het bedrijf over die jaren geen enkele waarde vertegenwoordigde. Zo ontbreken jaarrekeningen over 2011 en 2012 omdat appellant deze niet heeft laten opmaken en biedt de waarde die het bedrijf vertegenwoordigt geen inzicht in de daaruit door appellant mogelijk genoten inkomsten.

4.4.

Uit wat in 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

27 januari 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer





RH