Centrale Raad van Beroep, 29-04-2015 / 13-6931 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1484

Inhoudsindicatie
Studiefinanciering voor de tweedegraadsopleiding Hout aan een school in België is terecht geweigerd. De minister mocht zich baseren op de adviezen van SBB. Het eindniveau van deze opleiding ligt niet op een niveau vergelijkbaar met een overeenkomstige Nederlandse opleiding in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-13
Zaaknummer
13-6931 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/6931 WSF

Datum uitspraak: 29 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 november 2013, 13/2441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Baur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Baur. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van de minister van 24 juli 2013 (bestreden besluit), waarbij de minister - opnieuw beslissend op bezwaar - heeft gehandhaafd zijn besluit van 25 november 2011 waarbij appellant studiefinanciering is geweigerd voor de [naam school], gevestigd te België.


1.2.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de minister zich bij het bestreden besluit heeft kunnen baseren op door de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) uitgebrachte adviezen, inhoudende - kort samengevat - dat het eindniveau van de opleiding [naam opleiding] niet ligt op een niveau vergelijkbaar met een overeenkomstige Nederlandse opleiding in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).


2. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de minister de door appellant gevolgde opleiding ten onrechte heeft beschouwd als een opleiding die uit twee aparte onderdelen bestaat, waarbij de eerste twee jaren van de opleiding vergelijkbaar worden geacht met het Nederlandse VMBO-onderwijs en de tweede twee jaren vergelijkbaar worden geacht met het Nederlandse MBO-onderwijs. Appellant heeft erop gewezen dat de eerste twee jaren niet worden afgesloten met een diploma, maar met een getuigschrift dat geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt oplevert.


3.1.

De Raad oordeelt als volgt.


3.2.

Artikel 2.13a van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidt als volgt:


1. Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:


a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de WEB en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en


b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria.


2. Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4.


3. Dit artikel is niet van toepassing op deelnemers die op grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.


Artikel 3.3. van de Regeling studiefinanciering 2000 luidt als volgt:


1. Voor studiefinanciering kan een deelnemer als bedoeld in artikel 2.13a van de wet in aanmerking komen die onderwijs volgt aan een opleiding die voldoet aan de volgende criteria:


a. de opleiding wordt verzorgd aan een instelling in het Gewest Brussel voorzover het betreft Nederlandstalige opleidingen, in Vlaanderen, de Bondsrepubliek Duitsland, Zweden, Frankrijk, Spanje of het Verenigd Koninkrijk en


b. de opleiding wordt voltijds verzorgd op een wijze die vergelijkbaar is met de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a, van de WEB.


2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a kan een deelnemer voor studiefinanciering in aanmerking komen die onderwijs volgt aan een instelling in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte aan een opleiding die niet vergelijkbaar is met enige beroepsopleiding in de landelijke kwalificatiestructuur als bedoeld in artikel 7.2.4 van de WEB.


Artikel 7.2.2, eerste tot en met derde lid, van de WEB luiden als volgt:


1. De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden:


a. de assistentopleiding,

b. de basisberoepsopleiding,

c. de vakopleiding,

d. de middenkaderopleiding, en

e. de specialistenopleiding.


2. De in het eerste lid bedoelde opleidingen bestaan uit:

a. een beroepsopleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van ten minste 20% en minder dan 60% van de studieduur, of

b. een beroepsbegeleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur, dan wel

c. zowel de onder a als de onder b bedoelde leerweg.


3. De assistentopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.


3.3.

Uit het vorengeschetste wettelijk kader volgt dat appellant eerst recht heeft op studiefinanciering indien de door hem gevolgde opleiding vergelijkbaar is met de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a, van de WEB.


3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het onderwijs dat appellant in België heeft gevolgd deel uitmaakt van het zogenoemde secundair onderwijs, zijnde een combinatie van voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs.


3.5.

Het secundair onderwijs bestaat uit zes leerjaren en een zevende facultatief leerjaar. Er is sprake van drie zogenoemde graden die elk twee jaren in beslag nemen. De eerste graad is algemeen en wordt afgesloten met een getuigschrift. De tweede graad kent vier vormen van onderwijs, zijnde algemeen secundair onderwijs, beroepssecundair onderwijs, kunstsecundair onderwijs en technisch secundair onderwijs. Ook de tweede graad wordt afgesloten met een getuigschrift. De derde graad is gericht op een definitieve studiekeuze in het hoger onderwijs of op een beroepskeuze. Na het tweede jaar van de derde graad algemeen secundair onderwijs, kunstsecundair onderwijs en technisch secundair onderwijs wordt het diploma secundair onderwijs behaald. Na het tweede jaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs wordt een studiegetuigschrift behaald. In het beroepssecundair onderwijs wordt het diploma secundair onderwijs behaald na afronding van het derde (facultatieve) jaar van de derde graad.


3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de tweede graad op zichzelf bezien niet vergelijkbaar is met een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a, van de WEB. Evenmin is in geschil dat de derde graad die appellant heeft gevolgd in ieder geval recht geeft op studiefinanciering. Tussen partijen is slechts in geschil of de tweede en derde graad van de door appellant gevolgde opleiding als één opleiding dienen te worden gezien die vergelijkbaar is met een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a, van de WEB of als twee opleidingen waarbij de opleiding tot graad twee niet vergelijkbaar en de opleiding tot graad drie wel vergelijkbaar als vorenbedoeld is.


3.7.

Het Nederlandse en het Belgische onderwijssysteem zijn anders vorm gegeven, zodat van een eenvoudige vergelijking van de opleidingen geen sprake kan zijn. Aan de hand van de criteria die uit de tekst en wetsgeschiedenis van de Wsf 2000 en de Toelichting bij de Regeling studiefinanciering 2000 voortvloeien zal dienen te worden bezien of een opleiding vergelijkbaar is als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a, van de WEB. Uit de kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29719, nr. 3, pagina 10 en de Toelichting bij de Wijziging Regeling studiefinanciering 2000, gepubliceerd in de Staatscourant van 19 mei 2005, nr. 94, volgt dat bezien zal dienen te worden of de opleiding in het betreffende land voldoet aan de daar geldende wettelijke voorschriften en wordt voor de vergelijkbaarheid van het niveau gekeken naar de inhoud, eindtermen, instroomeisen, duur van de opleiding en het uitstroomniveau. Zo een beoordeling vraagt uitgebreid inzicht in beide te vergelijken systemen. De wet- en regelgever hebben dit naar volgt uit genoemde kamerstukken, pagina 10 en vorenvermelde Toelichting onderkend en de vereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven genoemd als instantie die zal onderzoeken of de opleiding aan de criteria voldoet en de minister zal adviseren. De taken van deze vereniging zijn inmiddels overgenomen door de SBB.


3.8.

De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd adviezen van de SBB van 27 juni 2013 en 9 juli 2013, zoals nader toegelicht bij advies van 4 maart 2014. Uit deze adviezen volgt dat de SBB aan de hand van de in 3.7 bedoelde criteria een onderzoek heeft verricht naar meerbedoelde vergelijkbaarheid. In deze adviezen is aan de hand van meerbedoelde criteria op inzichtelijke wijze uiteengezet dat het eindniveau van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs vergelijkbaar is met het eindniveau van het VMBO, gemengde leerweg en dat het eindniveau van de derde graad vergelijkbaar is met het eindniveau van het MBO. De SBB heeft in dit kader terecht mede betrokken de GENT-akkoorden, waarbij GENT staat voor “Gehele Europese Nederlandse Taalgebied”. In deze akkoorden zijn onder meer neergelegd afspraken over onderwijsinnovatie en gezamenlijk onderzoek naar mobiliteit van studenten tussen België en Nederland. De uitgebrachte adviezen zijn in overeenstemming met deze akkoorden en de Bijlage bij het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van Vlaamse en Nederlandse studiebewijzen voor het voltijds secundair onderwijs van 21 februari 2003.


3.9.

De opvatting van appellant als weergegeven in overweging 2 dat ondanks de omstandigheid dat de tweede graad wordt afgesloten met een getuigschrift sprake is van een ondeelbare opleiding van vier jaren is niet gebaseerd op de opvatting van een deskundige op het gebied van het Belgische en Nederlandse onderwijssysteem. Daarbij komt dat deze opvatting geen steun vindt in het Belgische onderwijssysteem. De tweede graad leidt op voor toegang tot de derde graad. Na het behalen van de tweede graad [naam opleiding] kan worden doorgestroomd naar de derde graad Houtbewerking of de derde graad Houtbewerking-snijwerk. Toegang tot de derde graad ontstaat eerst nadat de tweede graad met succes - en getuigschrift - is afgerond. Het verkrijgen van een getuigschrift en de keuze voor derde graad Houtbewerking of Houtbewerking-snijwerk duiden er geenszins op dat sprake is van een normale overgang binnen één opleiding. De Raad laat nog daar dat bij een vergelijking als in geding geenszins ondenkbaar is dat om tot een gedegen vergelijking te komen splitsingen binnen één opleiding dienen te worden gemaakt.


3.10.

De hoger beroepsgronden van appellant gaan er voorts aan voorbij dat de beoordeling van de vergelijkbaarheid, zoals weergegeven in 3.7, dient te geschieden op basis van de in overweging 3.7 genoemde criteria in onderlinge samenhang bezien.


3.11.

Ook op basis van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan dus niet tot het oordeel worden gekomen dat de minister zich niet heeft kunnen baseren op de adviezen van SBB.


3.12.

Gelet op hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.11 treffen de gronden van hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter, H.J. de Mooij en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) G.J. van Gendt




MK