Centrale Raad van Beroep, 12-05-2015 / 14-51 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1487

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Het college heeft in de bestreden besluiten, door voor deze periode te toetsen aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, dat ziet op ex-gehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren, een onjuiste maatstaf aangelegd. Indien sprake is van gehuwden moet worden getoetst aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluiten. Rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten blijven in stand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-12
Publicatiedatum
2015-05-13
Zaaknummer
14-51 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/220
Uitspraak

14/51 WWB, 14/52 WWB

Datum uitspraak: 12 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2013, 12/1514, 12/1515 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N.A. de Kock, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Kock. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.W. Bekker.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB); sinds

13 december 2005 naar de norm voor een alleenstaande en sinds 10 juli 2006 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant stond ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres Lijsterberg 36 te [woonplaats] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van meldingen dat appellant is getrouwd, is appellant naar zijn huwelijkse staat gevraagd. Appellant heeft een op 26 juni 2009 door het Consulaat-Generaal van het Koninkrijk van Marokko te Utrecht afgegeven administratieve ongehuwdverklaring (ongehuwdverklaring) overgelegd. Met ingang van 18 januari 2011 hebben een broer van appellant en zijn echtgenote zich ingeschreven in de GBA op het uitkeringsadres.


1.2.

Appellante stond van 27 augustus 2007 tot en met 6 april 2009 ingeschreven in de GBA op het adres [Adres B] te [woonplaats], het woonadres van de ouders van appellant. Van

7 april 2009 tot 25 oktober 2010 stond appellante ingeschreven in de GBA op het uitkeringsadres. Met ingang van 25 oktober 2010 heeft appellante zich ingeschreven op het adres [Adres C] te [plaatsnaam]. In oktober 2010 heeft zij de woning op dat adres gekocht.


1.3.

Op 6 juni 2011 heeft de politie de woning op het uitkeringsadres en de onder 1.2 vermelde woning te [plaatsnaam] doorzocht in het kader van een strafrechtelijk onderzoek omdat appellanten werden verdacht van het witwassen van geld. In de woning te [plaatsnaam] heeft de politie onder meer een trouwfoto van appellanten en een Marokkaanse huwelijksakte aangetroffen, waarop is vermeld dat appellanten op 13 juli 2007 te [plaatsnaam B] zijn gehuwd.


1.4.

Op grond van informatie van de politie heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer administratief onderzoek ingesteld en zijn getuigen gehoord. De processen-verbaal van de onder 1.3 vermelde doorzoekingen zijn bij dit onderzoek betrokken. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in diverse processen-verbaal en in een rapport ter zake van het afsluiten van het opsporingsonderzoek van 9 augustus 2011.


1.5.

Het college heeft in het resultaat van het onderzoek door de sociale recherche aanleiding gezien om bij besluit van 10 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant met ingang van 6 juni 2011 te beëindigen (lees: in te trekken), de bijstand over de periode van 17 juli 2007 tot en met 5 juni 2011 in te trekken, en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 49.902,81 bruto en € 4.340,17 netto. Het college heeft, onder verwijzing naar artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij in de periode van 17 juli 2007 tot

18 januari 2011 op het uitkeringsadres met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat appellant vanaf 18 januari 2011 niet meer in de gemeente [woonplaats] woont.


1.6.

Bij besluit van eveneens 10 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van eveneens 9 maart 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college appellante hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van het hiervoor onder 1.5 genoemde brutobedrag en voor een nettobedrag van € 410,69 en deze bedragen mede van haar teruggevorderd. Het college heeft, onder verwijzing naar artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB, aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij in de periode van 17 juli 2007 tot 18 januari 2011 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat appellante degene is met wie deze gezamenlijke huishouding is gevoerd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellanten in de hier van belang zijnde periode (tot 18 januari 2011) met elkaar gehuwd waren en hoofdverblijf hadden in dezelfde woning zodat het college terecht heeft aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, en dat er een toereikende grondslag is voor het standpunt van het college dat appellant vanaf 18 januari 2011 niet langer woonde in [woonplaats].


3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellanten hebben in de eerste plaats aangevoerd dat zij niet met elkaar zijn gehuwd.


4.1.1.

Evenals de rechtbank, volgt de Raad appellanten daarin niet. Bij de gedingstukken bevindt zich een huwelijksakte, waarin is vermeld dat op 13 juli 2007 te [plaatsnaam B], Marokko, een huwelijk is gesloten tussen appellant en appellante. De huwelijksakte vermeldt de desbetreffende beslissing van de betrokken rechtbank en de twee bij het opmaken van de huwelijksakte betrokken notariële getuigen. De akte is, zo is op de akte vermeld, opgenomen in het huwelijksregister van het Koninkrijk Marokko. Appellante heeft naar voren gebracht dat zij zelf niet bij het huwelijk aanwezig is geweest. Zij heeft evenwel haar vader,

[naam vader], op 19 juni 2007 gemachtigd om namens haar bij de voltrekking van het huwelijk met appellant op te treden. Bij de gedingstukken bevinden zich verder een trouwfoto van appellanten en gegevens over hun huwelijksfeest in Nederland op 1 september 2007. Appellant heeft volgens gegevens van de politie op 23 maart 2010 verklaard dat hij voor de Marokkaanse wet is getrouwd met appellante. Gelet op deze gegevens hebben appellanten hun stelling dat een huwelijk wel was gepland maar toch niet is voltrokken niet aannemelijk gemaakt.


4.1.2.

In dit verband hebben appellanten zich nog beroepen op de in 1.1 genoemde ongehuwdverklaring. Deze beroepsgrond treft geen doel. Deze verklaring is afgegeven, zo staat daarin letterlijk, op grond van het uittreksel van het bevolkingsregister van de gemeente [woonplaats], afgegeven op 26 juni 2009. Uit de ongehuwdverklaring zelf blijkt niet dat de ongehuwdverklaring mede is gebaseerd op gegevens afkomstig uit officiële bronnen uit Marokko. Voor de stelling van appellanten dat daarvan zonder meer kan worden uitgegaan, is noch in de ongehuwdverklaring zelf noch anderszins enig aanknopingspunt te vinden.


4.1.3.

De rechtbank is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat appellanten in de periode van 17 juli 2007 tot en met 17 januari 2011 moesten worden beschouwd als met elkaar gehuwd.


4.2.

Het college heeft echter in de bestreden besluiten, door voor deze periode te toetsen aan

artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, dat ziet op ex-gehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren, een onjuiste maatstaf aangelegd. Indien sprake is van gehuwden moet worden getoetst aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.3.1.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten sprake indien het een door beide betrokkenen, of een van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste een van hen als bestendig is bedoeld.


4.3.2.

De onderzoeksbevindingen wijzen uit dat appellanten in de periode van 17 juli 2007 tot en met 17 januari 2011 niet duurzaam gescheiden hebben geleefd in de in 4.3.1 bedoelde zin. Daarvoor komt in de eerste plaats zwaarwegende betekenis toe aan het gegeven dat appellante op 7 april 2009 is gaan inwonen op het uitkeringsadres en dat appellante op het uitkeringsadres ingeschreven heeft gestaan tot haar inschrijving in de GBA van [plaatsnaam]. Verder komt betekenis toe aan het gegeven dat appellante tot 7 april 2009 ingeschreven heeft gestaan op het woonadres van de ouders van appellant. Uit de onderzoeksgegevens van de sociale recherche, waaronder de verklaringen van de als getuigen gehoorde buurtbewoners en de zich in het dossier bevindende gegevens van de politie, blijkt dat sprake is van een relatie tussen appellanten, dat appellante meebetaalde aan de woonkosten op het uitkeringsadres en dat appellant de op naam van appellante staande auto mocht gebruiken en ook daadwerkelijk gebruikte. In de gedingstukken zijn daarnaast voldoende aanwijzingen te vinden om aan te nemen dat appellanten, nadat zij de koopwoning van appellante in [plaatsnaam] hadden opgeknapt, ook samen van [woonplaats] naar [plaatsnaam] zijn verhuisd.


4.4.

De Raad kan zich voorts geheel vinden in het oordeel van de rechtbank - en in de overwegingen waarop dat oordeel rust - dat, anders dan appellanten stellen, de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellant in de periode van 18 januari 2011 tot en met 5 juni 2011 zijn hoofdverblijf niet meer had op het uitkeringsadres en ook niet meer woonde in de gemeente [woonplaats]. De rechtbank heeft dat oordeel deugdelijk gemotiveerd. Appellanten hebben daartegenover in hoger beroep geen concrete gegevens en omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden. Vanaf 18 januari 2011 had appellant daarom geen recht meer op bijstand jegens het college.


4.5.

Appellant heeft het college niet gemeld dat hij vanaf 17 juli 2007 niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en dat hij vanaf 18 januari 2011 niet langer woonde in de gemeente [woonplaats]. Daarmee heeft hij zijn wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het beroep dat appellant in dit verband nog heeft gedaan op de ongehuwdverklaring slaagt niet. Pas uit de bevindingen van het in 1.4 bedoelde onderzoek is naar voren gekomen dat appellant al vanaf 13 juli 2007 onjuiste informatie over zijn woon- en leefsituatie heeft verstrekt, in het bijzonder door geen melding te maken van zijn huwelijk met appellante. Appellant had zich sinds die datum steeds als alleenstaande (ouder) gepresenteerd en eerder onderzoek waaraan appellanten refereren, waaronder het onderzoek naar een eventueel huwelijk van appellant in 2009, heeft niet uitgewezen uit dat deze informatie toen onjuist was. Daarom brengt het resultaat van het in 2009 verrichte onderzoek niet met zich dat vanaf dat moment niet meer kan worden gesproken van schending van de inlichtingenverplichting door appellant dan wel, zoals appellanten stellen, dat die schending appellant niet kan worden verweten. Voor zover appellanten in zoverre een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel hebben willen doen, slaagt dat beroep om dezelfde reden evenmin.


4.6.

Appellanten hebben nog aangevoerd dat de politierechter te Utrecht in de zaak tegen appellante als pleegperiode voor het strafbare feit heeft aangehouden de periode van 7 april 2009 tot en met 17 januari 2011 en dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de strafzaak tegen appellant dezelfde pleegperiode heeft aangehouden, zodat de intrekking en de terugvordering over de aan 7 april 2009 voorafgaande periode in ieder geval geen stand kunnen houden. De Raad volgt appellanten daarin niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) is de bestuursrechter immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. De Raad tekent daarbij nog aan dat de politierechter, gelet op de tenlastelegging, heeft aangenomen dat appellante opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het duurzaam voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant en dat het gerechtshof heeft overwogen dat appellante vanaf het moment dat appellante op het uitkeringsadres is gaan wonen met hem een gezamenlijke huishouding is gaan voeren en dat appellanten niet duurzaam gescheiden leefden. Hiervoor is al overwogen dat wat betreft de periode van 17 juli 2007 tot en met 17 januari 2011 niet aan de orde is de vraag of appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, maar (uitsluitend) of zij al dan niet duurzaam gescheiden leefden.


4.7.

De Raad komt tot de conclusie dat de intrekking van de bijstand van appellant, zij het deels op een andere grond dan het college en de rechtbank hebben aangenomen, stand kan houden. Daaruit vloeit voort dat ook de terugvordering van de bijstand van appellant over de gehele periode in stand kan blijven. Tevens is voldaan aan de voorwaarden voor medeterugvordering van appellante met toepassing van artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB, van de ten behoeve van appellant gemaakte kosten van bijstand over de periode van

17 juli 2007 tot en met 17 januari 2011.


4.8.

Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen gegrond verklaren. Bestreden

besluit 1 zal wegens strijd met de wet worden vernietigd voor zover het betreft de intrekking over de periode van 17 juli 2007 tot en met 17 januari 2011. Bestreden besluit 2 zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit 4.2.2 en 4.5 tot en met 4.7 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van bestreden besluit 1 en van het geheel te vernietigen bestreden besluit 2 in stand kunnen blijven.


5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.470,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het jegens appellant genomen besluit van 12 maart 2012 voor zover het betreft de

intrekking over de periode van 17 juli 2007 tot en met 17 januari 2011 en bepaalt dat de

rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;

- vernietigt het jegens appellante genomen besluit van 12 maart 2012 en bepaalt dat de

rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 2.450,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 202,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.M. Overbeeke en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) R.G. van den Berg



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden levend.



HD