Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-4179 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:149

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Geen noodzakelijke verhuizing.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-4179 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4179 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2013, 12/5142 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Namens appellante is verschenen mr. Maduro. Het college is met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante woonde in bij haar moeder. Met ingang van 15 juni 2012 heeft zij een huurwoning toegewezen gekregen.


1.2.

Op 12 juni 2012 heeft appellante bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en Bijstand (WWB) aangevraagd voor de inrichtingskosten van haar nieuwe woning.


1.3.

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen.


1.4.

Bij besluit van 13 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juni 2012 ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verhuizing van appellante niet noodzakelijk was, waardoor ook de inrichtingskosten niet noodzakelijk waren.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt dat zij de wens had om vanwege haar leeftijd en die van haar moeder op zichzelf te gaan wonen. Daarnaast had een medewerker van de gemeente haar gewezen op de invoering van de huishoudinkomenstoets en de eventuele financiële gevolgen daarvan voor appellante en haar moeder. Er bestond voor appellante dan ook een noodzaak om te verhuizen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd noodzakelijk zijn.


4.2.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar verhuizing noodzakelijk was. Zo had appellante voor haar verhuizing geen urgentieverklaring. Appellante had de keuze om te verhuizen. Zij heeft er, vanwege haar leeftijd en de leeftijd van haar moeder, alsmede vanwege de mogelijke financiële gevolgen van de invoering van de huishoudinkomenstoets, voor gekozen te verhuizen. Zij had ook bij haar moeder kunnen blijven wonen. Bezien vanuit het oogpunt van toepassing van de WWB behoren de kosten die voortkomen uit de keuze van appellante om te verhuizen voor haar rekening te blijven. De inrichtingskosten kunnen niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB, zodat het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.


4.3.

Uit 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

27 januari 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M.S. Boomhouwer




RB