Centrale Raad van Beroep, 12-05-2015 / 13-6189 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1490

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Geen gehoor gegeven aan de oproepen om op gesprek te komen en de gevraagde gegevens te verstrekken. Gedrag is verwijtbaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-12
Publicatiedatum
2015-05-13
Zaaknummer
13-6189 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6189 WWB

Datum uitspraak: 12 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 oktober 2013, 13/2863 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2015. Voor appellant is verschenen mr. Arabaci. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.C.M. Hermans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sedert 15 mei 2003 bijstand, met een onderbreking van

30 september 2004 tot 22 maart 2006, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

In verband met mogelijk verzwegen werkzaamheden als autopoetser bij [naam bedrijf] heeft het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In verband hiermee heeft het college appellant bij brief van

29 oktober 2012 uitgenodigd voor een gesprek op 5 november 2012 bij de Dienst Inwonerszaken. In die brief heeft het college appellant tevens verzocht om afschriften van al zijn bankrekeningen mee te nemen over een periode van zes weken voorafgaande aan

29 oktober 2012. Appellant is niet verschenen.


1.3.

Bij besluit van 5 november 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 5 november 2012 opgeschort en hem uitgenodigd voor een gesprek op

13 november 2012. Appellant heeft zich op 12 november 2012 telefonisch afgemeld voor deze afspraak. Hij verbleef wegens een ongeval van een vriend in het buitenland. Appellant zou op 19 november 2012 bellen voor een nieuwe afspraak. Dit heeft appellant nagelaten. Vervolgens is vergeefs getracht op 27 en 28 november 2012 telefonisch contact met appellant te krijgen.


1.4.

Bij brief van 29 november 2012 heeft het college appellant wederom uitgenodigd voor een gesprek, thans op 5 december 2012. Naast de in de brief van 29 oktober 2012 gevraagde bankgegevens heeft het college appellant tevens verzocht om bewijsstukken met betrekking tot zijn verblijf in het buitenland mee te nemen. Appellant is wederom niet verschenen noch heeft hij de gevraagde gegevens overgelegd.


1.5.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 5 november 2012 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken.


1.6.

Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 5 november 2012 tot 1 december 2012 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van

€ 770,48.


1.7.

Bij besluit van 8 april 2013 en een naderhand genomen wijzigingsbesluit van

11 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van

10 december 2012 en 17 december 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat het hem niet te verwijten valt dat hij niet op de oproepen is verschenen. Appellant heeft op 12 november 2012 gezegd dat hij in het buitenland was. Daarnaast bevond hij zich in een zodanige slechte medische situatie dat hij in de periode in geding niet kon terugreizen naar Nederland. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep uit het Turks vertaalde medische stukken overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 5 november 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van die vraag staat in de eerste plaats ter beoordeling of appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijnen de bij besluit van 5 november 2012 en brief van 29 november 2012 gevraagde medewerking te verlenen.


4.3.

Niet in geschil is dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen om op

5 november 2012, 13 november 2012 en 5 december 2012 bij de Dienst Inwonerszaken van de gemeente Arnhem op gesprek te komen en de gevraagde gegevens te verstrekken. Evenmin is in geschil dat de gevraagde medewerking van belang was voor de vaststelling van het recht op bijstand.


4.4.

Het betoog van appellant dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op de oproepen faalt. Allereerst blijkt uit de gedingstukken dat appellant, zonder hiervan (tijdig) melding aan het college te hebben gemaakt, van 27 oktober 2012 tot

17 december 2012 in het buitenland heeft verbleven. Dat als gevolg hiervan appellant niet op de oproepen van het college is verschenen, komt geheel voor zijn risico. Ten slotte slaagt de door appellant aangevoerde subsidiaire grond, dat hij medisch niet in staat was naar Nederland te reizen en zodoende aan de oproepen gehoor te geven, niet. Mocht dit al zo zijn, en dit blijkt - zoals appellant ter zitting heeft erkend - in ieder geval niet uit de overgelegde medische gegevens, dan had hij het college binnen de hem gegeven hersteltermijnen hiervan op de hoogte moeten stellen. Dit heeft hij niet gedaan en uit de

overgelegde stukken blijkt niet dat hij hiertoe niet in staat was.


4.5.

Het college was dan ook bevoegd de bijstand van appellant met ingang van

25 november 2012 in te trekken. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken.


4.6.

Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat het oordeel van de rechtbank hierover geen verdere bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd wordt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2015.





(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M. Fleuren





MK