Centrale Raad van Beroep, 13-01-2015 / 13-5754 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:15

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Geen informatie gegeven over verblijfadres. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-13
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
13-5754 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5754 WWB, 13/5755 WWB, 13/5756 WWB

Datum uitspraak: 13 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 september 2013, 13/1867, 13/1868, 13/3441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft met ingang van 9 december 2010 bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% wegens inwoning bij zijn moeder.

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

2 juli 2011 gewijzigd, omdat appellant sindsdien elke nacht in het William Booth-huis, de nachtopvang van het Leger des Heils, verblijft.


1.2.

Naar aanleiding van retour ontvangen post heeft de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (Dienst) onderzocht of appellant nog gebruik maakt van de maatschappelijke opvang. De Dienst heeft daartoe gegevens opgevraagd van Centraal Onthaal, waaruit is gebleken dat appellant vanaf 1 april 2012 geen gebruik meer heeft gemaakt van de nachtopvang van het Leger des Heils en dat hij spoorloos/onvindbaar is.


1.3.

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2012 opgeschort en appellant uitgenodigd voor een gesprek op

31 augustus 2012. Appellant is niet op het gesprek verschenen.


1.4.

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2012 ingetrokken en de bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met

31 augustus 2012 tot een bedrag van € 3.241,26 van appellant teruggevorderd.


1.5.

Bij besluit van 1 januari 2013 heeft het college de vordering op appellant gebruteerd en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 5.021,36.


1.6.

Bij besluit van 20 februari 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2012 ongegrond verklaard. Bij besluit van 27 februari 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 oktober 2012 ongegrond verklaard. Bij besluit van 18 april 2013 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 januari 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Hij heeft, kort weergegeven, aangevoerd dat het college na de opschorting van het recht op bijstand op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB de intrekking van de bijstand had moeten baseren op artikel 54, vierde lid, van de WWB en op grond daarvan de bijstand niet eerder had mogen intrekken dan met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij buiten zijn wil om niet meer werd toegelaten tot de nachtopvang, omdat er geen verlenging van zijn Centraal Onthaal-pas was aangevraagd. Appellant was echter dagelijks aanwezig in de dagopvang van het Leger des Heils, zodat zijn verblijfadres niet is gewijzigd. Het is aan het college om aannemelijk te maken dat appellant niet langer verblijft op het bekende verblijfadres. Het in de bezwaarfase door het college verrichte onderzoek biedt onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant niet structureel aanwezig is geweest in de dagopvang van het Leger des Heils. De enkele verklaring van [naam 1] bij het Leger des Heils dat appellant niet structureel aanwezig was in de dagopvang van het Leger Des Heils is daartoe onvoldoende.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel dat het college bevoegd is de bijstand van appellant over de periode vanaf

1 april 2012 in te trekken en de vanaf die datum gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 april 2012 tot en met

4 oktober 2012.


4.2.

Vooropstaat dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de belanghebbende recht heeft op bijstand. Ook van iemand die dakloos is, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van de schending niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht heeft op bijstand.


4.3.

Appellant heeft niet gemeld dat hij sinds 1 april 2012 geen gebruik meer heeft gemaakt van de nachtopvang van het Leger des Heils. Dat appellant tegen zijn wil niet meer werd toegelaten tot de nachtopvang omdat zijn pasje was verlopen, ontslaat hem niet van de verplichting de wijziging in zijn verblijf te melden. De stelling van appellant dat zijn verblijfadres niet was gewijzigd, omdat hij nog wel van de dagopvang van het Leger des Heils gebruikt maakte, slaagt niet. Nog daargelaten dat de dagopvang van het Leger des Heils op een andere locatie is gevestigd dan de nachtopvang van het Leger des Heils, zodat appellant ook in dat geval de wijziging van zijn verblijf had moeten melden, heeft appellant het gebruik van de dagopvang niet aangetoond. Bij navraag door het college bij de dagopvang heeft [naam 1] van het Leger des Heils voorts verklaard dat appellant niet structureel aanwezig is geweest in de dagopvang van het Leger des Heils.


4.4.

Eerst in hoger beroep heeft appellant een verklaring van 5 november 2014 overgelegd van [naam 2], die daarin heeft verklaard dat appellant in de periode van 1 april 2012 tot en met 31 augustus 2012 verbleef op het adres [adres]. Nog daargelaten dat deze verklaring achteraf is opgesteld en onvoldoende concreet en verifieerbaar is, komt hij niet overeen met de eerdere verklaring van appellant dat hij in deze periode in de dagopvang verbleef, noch met de informatie uit het dossier, waaruit blijkt dat appellant eerst vanaf september 2012 een woning huurt aan de [adres].


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat appellant aan het college in de te beoordelen periode geen informatie heeft gegeven over zijn verblijfadres. Daarmee heeft hij niet voldaan aan de in artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het college het recht van appellant op bijstand over de te beoordelen periode niet vaststellen. Het college was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over die periode in te trekken. Anders dan appellant stelt is het college ook na een opschorting van het recht op bijstand bevoegd om de bijstand op deze grondslag in te trekken. Voorts is het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de kosten van bijstand van hem terug te vorderen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren




HD