Centrale Raad van Beroep, 17-04-2015 / 13-2887 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1501

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum WAO-uitkering. Geen sprake van een bijzonder geval. Geen reden aan te geven waarom appellant niet eerder een WAO-aanvraag had kunnen indienen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-05-19
Zaaknummer
13-2887 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2887 WAO

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 april 2013, 12/3822 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Heijsteeg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Jethoe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, die vanaf 1999 in detentie en aansluitend in een TBS-kliniek verbleef, heeft op 17 april 2007 een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij deze aanvraag heeft appellant gesteld dat hij vanaf juni 1999 arbeidsongeschikt is.


1.2.

Nadat appellant op 4 april 2011 wederom een aanvraag had gedaan, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant vanaf 2 augustus 1999 niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt.


1.3.

Bij besluit van 22 maart 2012 heeft het Uwv met ingang van 1 augustus 2000 een WAO-uitkering toegekend aan appellant, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Omdat de uitkering niet eerder dan een jaar voor de aanvraagdatum kan ingaan, heeft het Uwv de begindatum van de uitkering gesteld op 17 april 2006.


1.4.

Bij besluit van 1 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 maart 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid op 2 augustus 1999 is aangevangen, maar dat geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 35, tweede lid, van de WAO, op grond waarvan de WAO-uitkering met meer dan één jaar terugwerkende kracht, gerekend vanaf de datum van de aanvraag, had moeten ingaan.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv zijn WAO-uitkering op een eerder moment dan 17 april 2006 had moeten laten ingaan. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid nu de verzekeringsarts niet uit eigen onderzoek tot de conclusie is gekomen dat appellant op een eerder moment dan 17 april 2007 in staat zou zijn geweest een uitkering aan te vragen. Appellant heeft gewezen op een rapport van psychiater E.A.M. Schouten uit 2005 waarin staat dat er bij appellant in 2005 nog steeds sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis. Appellant stelt dat hij als gevolg van deze stoornis niet in staat was om op enig moment voor 2007 een WAO-uitkering aan te vragen. Verder heeft appellant aangevoerd dat de hulpverleners van de Mesdagkliniek, waar hij tot 2005 verbleef, hem bij herhaling verkeerd hebben voorgelicht. Omdat hij in een TBS-kliniek verbleef was hij volledig afhankelijk van de hulpverleners en had hij niet de mogelijkheid om elders hulp te vragen.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO.


4.2.

Naar vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7819, kan van een bijzonder geval in de zin van artikel 35, tweede lid, van de WAO sprake zijn, indien de betrokken verzekerde met de verlate aanvraag redelijkerwijs niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Dat zal onder meer het geval zijn, indien de verzekerde - mede als gevolg van zijn medische situatie - het aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van met name zijn psychische problematiek heeft ontbroken en hij om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag in te dienen, tenzij van een zeer nauw bij de verzekerde betrokken persoon kon en mocht worden verwacht dat die bij het Uwv een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hebben ingediend.


4.3.

Uit de in het dossier voorhanden zijnde (medische) informatie blijkt niet dat het appellant gedurende de periode van augustus 1999 tot 17 april 2007 aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van zijn psychische problematiek heeft ontbroken. Evenmin biedt het dossier aanknopingspunten voor het oordeel dat de psychische toestand van appellant gedurende deze gehele periode dermate ernstig was dat hij - als gevolg daarvan - heeft nagelaten eerder dan 17 april 2007 een aanvraag in te (laten) dienen. In dit kader wijst de Raad op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 juli 2012 en 6 maart 2013 waarin deze arts, onder verwijzing naar de beschikbare medische stukken, heeft geconcludeerd dat er geen reden is aan te geven waarom appellant niet eerder een WAO-aanvraag had kunnen indienen. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is.


4.4.

De beroepsgrond van appellant dat hij door hulpverleners niet juist is voorgelicht kan niet slagen, omdat volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6622), onbekendheid met het bestaan van een regeling als hier aan de orde geen bijzonder geval oplevert als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde financiële plannen uit 2009 en 2011 kan niet worden opgemaakt dat appellant in de periode voor 2007 op onjuiste wijze is voorgelicht over de mogelijkheid om een WAO-uitkering aan te vragen. Het betoog van appellant dat hij, omdat hij in een TBS-kliniek verbleef, geen mogelijkheid had om op andere wijze hulp in te schakelen, treft evenmin doel nu niet aannemelijk is gemaakt dat appellant niet in de gelegenheid was om - telefonisch - contact te hebben met anderen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat van een bijzonder geval, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO, in het onderhavige geval geen sprake is. De aangevallen uitspraak zal bevestigd worden. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding is daarom geen plaats.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) W. de Braal




NK