Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 11-7371 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:151

Inhoudsindicatie
Terugvordering bijstand. Geen kwijtschelding. Er is geen sprake geweest van een feitelijke aflossing, en, voor zover er te weinig is betaald, van betaling na afloop van de periode van drie jaar van een achterstallig bedrag ineens. Nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 11, aanhef en onder a, van de beleidsregels en gelet op het cumulatieve karakter van de in artikel 11, eerste lid, van de beleidsregels opgenomen voorwaarden, kan aan appellant niet op basis van dit artikel kwijtschelding worden verleend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
11-7371 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/7371 WWB, 14/233 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

9 november 2011, 11/3527 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 20 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1463) een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college een nader besluit van 18 september 2013 (nader besluit) genomen. Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer een zienswijze op dit besluit ingediend, waarop het college heeft gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 25 maart 2014. Namens appellant is mr. Kramer verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Het onderzoek is heropend voor het stellen van vragen aan het college. Partijen hebben zich nader over de zaak uitgelaten en vervolgens toestemming gegeven voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan de Raad bij zijn oordeelsvorming uitgaat, wordt in de eerste plaats verwezen naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.


1.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het college aan zijn besluit van

9 februari 2004 tot herziening en terugvordering van de bijstand over de maand juli 2003 niet ten grondslag heeft gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat er onvoldoende grondslag is voor het standpunt van het college dat het verzoek van appellant om kwijtschelding van het teruggevorderde bedrag moet worden afgewezen omdat kwijtschelding van schulden die zijn ontstaan door schending van de inlichtingenplicht volgens het beleid niet mogelijk is. Reeds daarin is aanleiding gezien om het college, met toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus, op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad heeft met het oog op de nadere besluitvorming tevens overwogen dat in dit geval geen sprake is van de situatie waarin met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag worden afgezien van het horen van appellant over zijn bezwaar.


1.2.

In het ter uitvoering van de tussenuitspraak door het college genomen nader besluit heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juli 2010 wederom ongegrond verklaard.


1.3.

Appellant heeft het nader besluit op de hierna te bespreken gronden bestreden.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Gelet op de tussenuitspraak komt het besluit van 1 maart 2011 (bestreden besluit) voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:3 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen op de zojuist genoemde gronden. De Raad zal vervolgens het nader besluit beoordelen.


2.2.

Uit het nader besluit blijkt dat in onderling overleg tussen partijen is afgesproken om af te zien van een mondelinge behandeling van het bezwaar. Dit punt kan daarom verder buiten bespreking blijven.


2.3.

Ingevolge artikel 58 van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Het gaat daarbij om een discretionaire bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) moet de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere invordering hierin besloten worden geacht.


2.4.

Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college de Beleidsregels terugvordering Wet werk en bijstand 2009 (beleidsregels) vastgesteld. In het nader besluit en in het kader van een nadere discussie van partijen hierover, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat toepassing van de beleidsregels ertoe leidt dat aan appellant geen kwijtschelding kon worden verleend. Appellant heeft dat standpunt op de hierna te bespreken gronden bestreden.


2.5.

Appellant heeft zich in de eerste plaats beroepen op artikel 11, eerste lid, van de beleidsregels.


2.5.1.

Ingevolge deze bepaling kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien belanghebbende:

a. gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, óf niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode alsnog binnen een periode van zes weken heeft betaald; en

b. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, en

c. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB.


2.5.2.

Niet in geschil is dat het college destijds voor appellant een maandelijkse betalingsverplichting heeft vastgesteld en verder staat vast dat appellant feitelijk in het geheel niet op de vordering heeft afgelost. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij ook nimmer in staat is geweest op de vordering af te lossen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder a, van de beleidsregels. De Raad volgt appellant daarin niet. Deze bepaling kan niet anders worden gelezen dan dat sprake moet zijn geweest van feitelijke aflossing en, voor zover er te weinig is betaald, van betaling na afloop van de periode van drie jaar van een achterstallig bedrag ineens. Nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 11, aanhef en onder a, van de beleidsregels en gelet op het cumulatieve karakter van de in artikel 11, eerste lid, van de beleidsregels opgenomen voorwaarden, kan aan appellant niet op basis van dit artikel kwijtschelding worden verleend.


2.6.

Appellant heeft zich tevens beroepen op het bepaalde in artikel 12 van de beleidsregels.


2.6.1.

Ingevolge die bepaling kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. Aan de toelichting op deze bepaling ontleent de Raad het volgende: “Een ander voorbeeld is de schuld die na vijf jaar onbetaald is gebleven vanwege onvoldoende aflossingscapaciteit bij belanghebbende. Het gaat hier om de situatie waarin de gemeente de reële verwachting heeft dat de incassoactiviteiten niets meer zullen opleveren. De gemeente zal bij het besluit om af te zien van terugvordering de afweging moeten maken of nog op enig moment valt te verwachten dat de belanghebbende zijn schuld zal kunnen afbetalen. Hiervan kan sprake zijn als op andere schulden wordt afgelost en zicht bestaat dat aan de betalingsverplichting zal worden voldaan.”


2.6.2.

De termijn van vijf jaar was reeds ten tijde van het verzoek om kwijtschelding verstreken zodat, zoals appellant terecht heeft aangevoerd, in zoverre wordt voldaan aan artikel 12 van de beleidsregels.


2.6.3.

Het college stelt zich evenwel op het standpunt dat de in de toelichting als laatst bedoelde situatie zich hier ten tijde van belang niet voordeed. Appellant beschikte ten tijde van het verzoek om kwijtschelding en ook nog ten tijde van het bestreden besluit over een bijstandsuitkering, verleend door burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Het college heeft bij die gemeente op de bijstand van appellant ter zake van de in geding zijnde vordering beslag laten leggen, maar dat beslag kon (nog) niet worden geëffectueerd omdat appellant nog afloste op een andere, preferente vordering. Het college verwacht dat het beslag te zijner tijd wel kan worden geëffectueerd.


2.6.4.

Het standpunt van het college verdraagt zich met het bepaalde in artikel 12 van de beleidsregels en de daarbij behorende toelichting. Ook uit het gelegde beslag bij de gemeente Amsterdam blijkt dat het college een reële mogelijkheid ziet dat nog op de vordering zal worden afgelost.


2.7.

Ten slotte heeft appellant een beroep gedaan op artikel 21 van de beleidsregels.


2.8.1.

Ingevolge dat artikel kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing van deze beleidsregels leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.


2.8.2.

Appellant heeft het beroep op deze bepaling onderbouwd met het gegeven dat appellant ten tijde van het ontstaan van de vordering in verband met zijn verslaving onder de zorg viel van de Stichting Winnersway, dat deze stichting in de zorg voor appellant ernstig tekort is geschoten en dat de verdiensten van appellant die hebben geleid tot de intrekking ten goede zijn gekomen aan deze stichting en niet aan appellant zelf.


2.8.3.

Deze omstandigheden betreffen echter veeleer de (voorgeschiedenis van de) intrekking en de terugvordering van de bijstand over de maand juli 2003 en niet zozeer de toepassing van de artikelen 11 en 12 van de beleidsregels. Voorts heeft het college niet ten onrechte naar voren gebracht dat appellant, die - zo is niet in geschil - destijds niet onder curatele of onder bewind stond, zelf steeds verantwoordelijk is gebleven voor zijn handelen, ook in de relatie met het college wat betreft de verlening van de bijstand.


2.9.

Uit 2.3 tot en met 2.8.3 volgt dat het nader besluit stand kan houden.


3. De Raad ziet, gelet op 2.1, aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980.- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 maart 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 september 2013 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 112,- vergoedt;



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) O.P.L. Hovens



HD