Centrale Raad van Beroep, 17-04-2015 / 14-625 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1515

Inhoudsindicatie
Afwijzing het verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-17
Publicatiedatum
2015-05-19
Zaaknummer
14-625 WIA
Procedure
Herziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/625 WIA, 14/814 WIA, 14/815 WIA

Datum uitspraak: 17 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 december 2013, 12/3101 WIA, 12/3982 WIA, 13/5528 WIA

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Stichting Openbaar Onderwijs – Regio Alphen aan den Rijn (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de door de Raad op 6 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2796) gegeven uitspraak.

Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Belanghebbende is, zoals tevoren schriftelijk is meegedeeld, niet verschenen.

OVERWEGINGEN



1. Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.


2. Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 april 2012, 10/4706, bevestigd voor zover aangevochten. Verder is, voor zover van belang, bij de uitspraak het beroep van verzoeker tegen het door het Uwv hangende het hoger beroep genomen gewijzigde besluit van 9 september 2013 ongegrond verklaard. Bij dit gewijzigde besluit van 9 september 2013 is aan verzoeker (alsnog) met ingang van 2 februari 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 44,5% toegekend.


3. In zijn verzoek om herziening heeft verzoeker, samengevat, betoogd dat in de uitspraak van 6 december 2013 ten onrechte voorbij is gegaan aan de gevolgen die het onterechte ontslag door zijn ex-werkgever, het onvoldoende toezicht door het Uwv op re-integratie-inspanningen van zijn ex-werkgever alsmede de jarenlange procedures tegen de werkgever en het Uwv op de gezondheidssituatie van verzoeker hebben gehad. Voorts maakt met terugwerkende kracht op 2 februari 2010 de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 44,5%, zoals neergelegd in het besluit van 9 september 2009, geen betrouwbare indruk. Verzoeker heeft aangegeven dat hij door het onterechte ontslag zijn baan is kwijt geraakt en daardoor grote schade heeft opgelopen aan zijn gezondheid, de (zelf)werkzaamheid en zijn financiële situatie. Door de fouten van de werkgever en het Uwv, de gevoerde procedures alsook de onjuiste beoordeling van zijn hoger beroep, is hij lichamelijk en geestelijk niet meer in staat om bij een andere werkgever te werken. Met ingang van 1 mei 2013 acht hij zich volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en dient hem een IVA-uitkering te worden toegekend dan wel een onafhankelijke deskundige ingeschakeld te worden om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen.


4. Wat verzoeker tegen de uitspraak van 6 december 2013 heeft aangevoerd behelst geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, maar veeleer een betwisting van de juistheid van de uitspraak van de Raad van 6 december 2013. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1945, en 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het betoog van verzoeker is er in wezen op gericht om op basis van al bekende gegevens een hernieuwde discussie te voeren over de in de uitspraak van 6 december 2013 besliste rechtsvragen. Daarvoor is het bijzondere rechtsmiddel van herziening, gelet op het vorenstaande, echter niet bedoeld.


5. Uit wat onder 4 is overwogen vloeit voort dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) W. de Braal





MK