Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 13-6203 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1519

Inhoudsindicatie
Herziening studiefinanciering van de norm voor een uitwonende studerende naar de norm voor een thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op GBA-adres. Geen inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. ‘Informed consent’. De verleende toestemming door de hoofdbewoner was voldoende voor het ten aanzien van appellant rechtmatig binnentreden in de woning.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-05-19
Zaaknummer
13-6203 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/6203 WSF

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2013, 13/5029 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Glas. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft bij besluit van 15 september 2012 met ingang van 1 september 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 20 oktober 2012 heeft de minister deze toekenning voor het jaar 2013 verlengd.


1.2.

Op 23 januari 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder betrokkene op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) was ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woonachtig is. Van het huisbezoek is op 25 januari 2013 een rapport opgemaakt.


1.3.

De minister heeft op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de aanvankelijk over de periode september 2012 tot en met februari 2013 aan appellant toegekende studiefinanciering bij besluit van 2 maart 2013 herzien, in die zin dat appellant vanaf 1 september 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over deze periode aan appellant te veel betaalde bedrag van € 1.152,16 is daarbij van hem teruggevorderd.


1.4.

De minister heeft het tegen het besluit van 2 maart 2013 door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 30 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de minister gesteld dat uit het onderzoek is gebleken dat appellant niet woont op zijn

GBA-adres.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de ‘verklaring toestemming huisbezoek’ die is ondertekend door hoofdbewoner [naam 1] blijkt dat voor het huisbezoek vrijwillig toestemming is gegeven. Uit het rapport van 25 januari 2013 blijkt verder dat de controleurs zich hebben gelegitimeerd, het doel van het huisbezoek hebben uitgelegd en de hoofdbewoner erop hebben gewezen dat hij het recht had om de controleurs de toegang tot de woning te weigeren. De rechtbank heeft overwogen dat daarmee, ten opzichte van de hoofdbewoner en bij afwezigheid van appellant, is voldaan aan de vereisten voor het rechtsgeldig binnentreden van een woning. Ten opzichte van de hoofdbewoner, ten aanzien van wie een recht op studiefinanciering niet in het geding is, geldt het “informed consent” niet. Dat er ten aanzien van appellant geen sprake was van een vermoeden van fraude doet daaraan niet af. Niet valt in te zien waarom in het geval van mogelijke fraude ten aanzien van de hoofdbewoner niet behoeft te worden voldaan aan het vereiste van “informed consent” en wel in het geval er geen sprake is van enig vermoeden van misbruik. Dit betekent dat de bevindingen van het bezoek aan de woning kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de vraag of eiser dient te worden aangemerkt als thuis- of uitwonende studerende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de bevindingen van de controleurs en de op 16 mei 2013 gegeven reactie van controleur [naam 2] op de opmerkingen van appellant op het rapport, aannemelijk gemaakt dat appellant niet op het adres [adres] woonde en daarmee terecht geconcludeerd dat appellant feitelijk niet woonde op het adres waarop hij in de GBA stond ingeschreven.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het tijdens het huisbezoek vergaarde bewijs met toepassing van het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde fair trial beginsel buiten beschouwing moet blijven omdat het huisbezoek in strijd was met artikel 8 van het EVRM. Daartoe is aangevoerd dat het gebruik van het middel huisbezoek disproportioneel was omdat er voor dat huisbezoek geen redelijke grond bestond. Volgens appellant had daarom aan de hoofdbewoner moeten worden voorgehouden dat een weigering geen gevolgen voor de student zou hebben. Door de hoofdbewoner niet volledig te informeren is diens privacy geschonden. Ook de privacy van appellant is geschonden, nu hij - ook - de gehele woning bewoonde. Het is voor appellant de vraag of de huisgenoot van appellant met het ontbreken van de mededeling van de controleurs dat de weigering geen gevolgen had voor de student “full knowledge” had voordat hij afstand deed van zijn recht op privacy. In dit verband heeft appellant gesteld dat van algemene bekendheid is dat van een inwonende student een bijdrage in de huishouding wordt verwacht. Zonder nadere informatie moet ervan worden uitgegaan dat de hoofdbewoner een financieel belang heeft bij de studiefinanciering van de student. Bovendien had de hoofdbewoner een eigen en persoonlijk belang, namelijk voorkoming van wrijving tussen familieleden. Voor het geval het informed consent niet nodig is omdat er een redelijk vermoeden van fraude is stelt appellant zich op het standpunt dat een risicoprofiel niet voldoende is om zo’n vermoeden op te baseren, er nog van afgezien dat de enkele stelling dat appellant aan zo’n profiel voldoet niet voldoende is. Deze stelling is niet controleerbaar omdat de profielen niet worden verstrekt. Bovendien moet voorafgaand aan de controle vaststaan dat de student daar onder valt, waarvan de minister bewijs moet leveren.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.


4.1.3.

De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.2.1.

Voorop wordt gesteld dat geen sprake is van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM als de rechthebbende toestemming tot binnentreden in de woning heeft gegeven. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Van ‘informed consent’ is sprake indien de controleurs zich voorafgaand hebben gelegitimeerd en de toestemming berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor het recht op studiefinanciering. Indien één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent, wordt in beginsel geen inbreuk gemaakt op het huisrecht van de overige bewoners. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden. Dit betreft echter niet de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot exclusief woongebruik van die andere bewoners. Indien een andere bewoner dan degene wiens studiefinanciering in het geding is toestemming tot binnentreden verleent, hoeft ten opzichte van die bewoner niet te zijn voldaan aan het vereiste van ‘informed consent’ in de hiervoor bedoelde zin. Wel is in die situatie voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 3 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4503, en 12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108. Voor een aanvulling of nuancering van deze rechtspraak, zoals door appellant is bepleit, ziet de Raad geen aanleiding.


4.2.2.

Uit de gedingstukken wordt afgeleid, en dit is verder tussen partijen ook niet in geschil, dat de hoofdbewoner toestemming heeft verleend tot het betreden van de woning nadat de controleurs zich hadden gelegitimeerd, het doel van het huisbezoek aan hem hadden uitgelegd en hem hadden gewezen op zijn recht om toegang tot de woning te weigeren. De verleende toestemming door de hoofdbewoner was voldoende voor het ten aanzien van appellant rechtmatig binnentreden in de woning. Uit het rapport is af te leiden dat appellant in die woning geen eigen kamer had. Hij sliep volgens de verklaring van zijn broer soms in de woonkamer die voor gezamenlijk gebruik beschikbaar was en soms in het tweepersoonsbed op de bij de broer in gebruik zijnde enige slaapkamer.


4.3.

In hoger beroep is niets aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de minister uit het rapport heeft mogen afleiden dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op zijn GBA-adres. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank een gemotiveerd oordeel gegeven over het bestreden besluit en het rapport dat aan het besluit tot herziening ten grondslag is gelegd. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid en maakt dat oordeel tot de zijne.


4.4.

Uit wat is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) D. van Wijk




NK