Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-5359 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:152

Inhoudsindicatie
Onjuist grondslag van de maatregel. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat een gedraging als hier aan de orde ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Maatregelverordening, dient te resulteren in een maatregel van 30% gedurende een maand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
13-5359 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5359 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 september 2013, 13/2447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. van Til, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.I. van Beuningen, advocaat, die de zaak van Van Til heeft overgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. In verband met de daaraan verbonden arbeidsverplichtingen is appellante door haar klantmanager uitgenodigd voor een oriëntatiegesprek op

21 februari 2013.


1.2.

Op 20 februari 2013 heeft appellante de klantmanager laten weten niet op de gemaakte afspraak te willen komen, omdat zij inmiddels een full-time dienstverband als schoonmaker heeft geaccepteerd bij [naam werkgever] ([werkgever]).


1.3.

Per 26 februari 2013 heeft [werkgever] het dienstverband met appellante beëindigd. Op

28 februari 2013 heeft appellante hiervan telefonisch mededeling gedaan aan haar klantmanager.


1.4.

Bij besluit van 28 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2013 gedurende een maand verlaagd met 100%. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante algemeen geaccepteerd werk heeft geweigerd. Doordat zij zich niet heeft gehouden aan de bij [werkgever] gehanteerde werktijden, wordt langer dan nodig is bijstand aan haar verstrekt.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Het college heeft de opgelegde verlaging van de bijstand gebaseerd op artikel 9,

eerste lid, en artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 8, derde lid, aanhef en onder

a en b en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam (Maatregelverordening).


4.1.2.

Artikel 8, derde lid, onder a en b, van de Maatregelverordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“a. Het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen omvat de volgende gedragingen:

(…)

- zich zodanig gedragen dat een baan niet verkregen wordt of door eigen toedoen werk, stage of vrijwilligerswerk niet behouden wordt.

b. In geval van het niet nakomen van bovengenoemde verplichtingen wordt een maatregel van de tweede categorie opgelegd.”

Aan deze categorie is volgens artikel 7, eerste lid, onder c, van de Maatregelverordening de maatregel verbonden van verlaging van de bijstand met 100% voor de duur van één maand.


4.1.3.

Uit wat is overwogen onder 1.2 en 1.3 volgt dat het gedrag van appellante moet worden aangemerkt als het door eigen toedoen niet behouden van werk.


4.1.4.

Reeds omdat artikel 8 van de Maatregelverordening ziet op het nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB en, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 10 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1067), de verplichting om arbeid te behouden niet kan worden begrepen onder de in artikel 9, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichting om arbeid te aanvaarden, berust de verlaging van de bijstand op een onjuiste grondslag. De gemachtigde van het college heeft dit ter zitting ook erkend. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Vervolgens moet worden bezien welk vervolg aan dit oordeel wordt gegeven. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.2.1.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat appellante, omdat zij door eigen toedoen haar werk niet heeft behouden, blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Daarvoor kan haar ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 11 van de Maatregelverordening een maatregel worden opgelegd.


4.2.2.

Appellante heeft aangevoerd dat haar geen verwijt treft met betrekking tot de beëindiging van haar dienstverband bij [werkgever], aangezien zij bij [werkgever] slechts had verzocht om een gesprek over de werktijden. Zij heeft daarbij aan de werkgever te kennen gegeven dat zij liever om 9.00 uur wilde beginnen, in verband met de opvang van haar kinderen. Zij heeft aan de werkgever nooit kenbaar gemaakt dat zij niet bereid was om om 8.00 uur te beginnen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft haar stelling niet met objectieve gegevens onderbouwd. Bovendien strookt wat appellante heeft aangevoerd niet met wat uit een brief van 19 maart 2013 en de nadien nog door [werkgever] telefonisch verstrekte informatie naar voren komt. Uit de brief van 19 maart 2013 van [werkgever] blijkt namelijk dat [werkgever] het dienstverband met appellante heeft beëindigd vanwege onverenigbare wensen tussen appellante en [werkgever]. Het college heeft voorts in de bezwaarfase op 10 april 2013 nog telefonisch contact gehad met [werkgever]. Daaruit is gebleken dat appellante aan haar manager intern bij [werkgever] heeft doorgegeven dat zij om 9.00 uur wil beginnen met werken en niet om 8.00 uur. Omdat appellante niet wilde accepteren dat [werkgever] bepaalde werktijden hanteerde, heeft [werkgever] het contract beëindigd. Het standpunt van het college dat appellante door eigen toedoen arbeid niet heeft behouden en daarmee blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan worden onderschreven. Dit betekent dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante overeenkomstig de Maatregelverordening te verlagen.


4.2.3.

Het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat een gedraging als hier aan de orde ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Maatregelverordening, dient te resulteren in een maatregel van 30% gedurende een maand. Er is geen grond om aan te nemen dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeerde, het college aanleiding hadden dienen te geven om de vastgestelde verlaging te matigen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, derde lid, van de Maatregelverordening. In wat appellante heeft aangevoerd worden evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Maatregelverordening aanwezig gezien op grond waarvan van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien.


4.3.

Gelet op 4.2.2 en 4.2.3 ziet de Raad aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door, onder herroeping van het besluit van 28 februari 2013 wat betreft de hoogte van de maatregel, te bepalen dat de bijstand van appellante over de maand maart 2013 met 30% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt verlaagd.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 april 2013;

- herroept het besluit van 28 februari 2013 wat betreft de hoogte van de opgelegde maatregel,

bepaalt dat de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2013 wordt verlaagd met 30%

van de toepasselijke bijstandnorm gedurende een maand en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde besluit van 24 april 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.



(getekend) Y.J. Klik



(getekend) S.W. Munneke

HD