Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 14-1956 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1526

Inhoudsindicatie
Herziening studiefinanciering van de norm voor een uitwonende studerende naar de norm voor een thuiswonende studerende. Niet woonachtig op GBA-adres. De verleende toestemming door de hoofdbewoner was voldoende voor het ten aanzien van appellant rechtmatig binnentreden in de woning. De hoofdbewoner kan worden gehouden aan zijn aanvankelijk afgelegde verklaring.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-05-19
Zaaknummer
14-1956 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/1956 WSF

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 februari 2014, 13/1970 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015. Namens appellant is

mr. Van Berkel verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN



1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, over de jaren 2012 en 2013 aan appellant studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellant stond vanaf

8 september 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [adres A] te [woonplaats]. Onder dit adres staan ook ingeschreven appellants tante met haar man [naam man] en hun 18-jarige zonen [naam zoon 1] en [naam zoon 2]. De ouders van appellant staan in de GBA ingeschreven onder het adres [adres B] te [woonplaats]. De afstand tussen de beide adressen is ongeveer 400 meter.


1.2.

Bij besluit van 26 januari 2013 heeft de minister appellant vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 2.481,48, dat als gevolg van de herziening over de periode januari 2012 tot en met januari 2013 te veel aan appellant is betaald, teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 15 mei 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 januari 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellant niet woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een huisbezoek op 27 november 2012 op het GBA-adres van appellant, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 19 december 2012. Het huisbezoek is afgelegd in het bijzijn van de hoofdbewoner [naam man].


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de geringe afstand tussen het GBA-adres van appellant en dat van zijn ouders voldoende reden was voor een nader onderzoek door middel van een huisbezoek, dat het binnentreden van de woning met toestemming van de hoofdbewoner heeft plaatsgevonden en dat de bevindingen van het huisbezoek aannemelijk maken dat appellant niet op het

GBA-adres woonde.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd wordt dat er sprake is van inbreuk op het huisrecht van appellant. Niet kan worden aangenomen dat voldaan is aan de voorafgaand aan het binnentreden geldende eisen van legitimatie en het meedelen van het doel van het huisbezoek. Gelet op het feit dat de hoofdbewoner blind is en de Nederlandse taal niet machtig is, is voor hem niet duidelijk geweest wie er voor hem stonden en met welk doel de controleurs kwamen. Uit de stukken blijkt voorts niet van een redelijke grond voor het huisbezoek. Verder wordt aangevoerd dat de verklaring van de hoofdbewoner buiten beschouwing moet worden gelaten nu deze niet door hem is ondertekend en ook niet is gebleken dat deze aan hem is voorgelezen. Ten slotte wordt aangevoerd dat het rapport van het huisbezoek onvolledig is en onjuistheden bevat, dan wel dat op basis van de constateringen onjuiste conclusies getrokken zijn. In dit verband wordt naar voren gebracht dat er wel spullen van appellant in zijn kamer lagen, dat spullen van beide zoons op de zolderkamer lagen, dat daar een tweepersoonsbed stond en dat geen kasten zijn gecontroleerd.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

Artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat onder thuiswonende studerende wordt verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is en dat onder uitwonende studerende wordt verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.


4.1.2.

Artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, bepaalde dat voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking komt de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.


4.1.3.

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.


4.1.4.

Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, bepaalt dat de herziening - volgens het opschrift bij ‘Niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaatsvindt met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.


4.2.1.

Het rapport van 19 december 2012 vermeldt onder meer dat de beide controleurs zich na het openen van de deur door de hoofdbewoner [naam man] hebben gelegitimeerd, dat zij hebben aangegeven in wiens opdracht zij het huisbezoek aflegden en dat zij aan de hoofdbewoner uitleg hebben gegeven over het doel van het huisbezoek. Het verslag vermeldt dat de hoofdbewoner na een nadere uitleg door de controleurs, toestemming gaf om enkele kamers te bekijken en foto’s te maken. Het verslag vermeldt voorts dat de controleurs hebben geconstateerd dat de hoofdbewoner slechtziend was en dat er geen moment was dat hij hen niet begreep. De nadere mail van 1 mei 2013 van één van de controleurs vermeldt nog dat de communicatie met de hoofdbewoner goed is verlopen, dat de controleurs hem goed konden verstaan en dat zij elkaar goed hebben begrepen.


4.2.2.

De Raad heeft eerder overwogen dat wanneer één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent in beginsel geen inbreuk wordt gemaakt op het huisrecht van de overige bewoners. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden, behoudens voor zover het betreft de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot het exclusief woongebruik van die andere bewoners. Verwezen wordt naar de, ook door de rechtbank genoemde, uitspraken van 3 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4503 en

12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108.


4.2.3.

De Raad heeft geen reden aan de juistheid van de weergave in het verslag te twijfelen. Het feit dat appellant en de echtgenote van de hoofdbewoner die juistheid betwisten doet daaraan niet af, te minder nu noch appellant, noch de echtgenote bij het huisbezoek aanwezig waren. Daaraan doet evenmin af dat de hoofdbewoner zijn verklaring niet heeft ondertekend nu beide controleurs ter verklaring voor die omstandigheid hebben opgenomen dat hij slechtziend was en daarom niet kon tekenen. Blijkens de nadere mail van 6 mei 2013 van één van de controleurs is de verklaring wel voorgelezen aan de hoofdbewoner. Onder deze omstandigheden is er geen reden het verloop van het huisbezoek als onrechtmatig aan te merken. Of al dan niet sprake was van een redelijke grond voor het huisbezoek kan in het midden worden gelaten.


4.3.1.

Het verslag vermeldt dat de hoofdbewoner in eerste instantie heeft verklaard dat appellant niet op het adres van de hoofdbewoner woonde of gewoond had maar dat hij bij zijn ouders op het adres [adres B] woonde. Het verslag vermeldt verder dat de hoofdbewoner naderhand heeft verklaard dat appellant bij hem een kamer had en daar sliep. Als waarneming van de beide controleurs vermeldt het verslag dat zich in de door de hoofdbewoner als kamer van appellant aangewezen kamer, studiemateriaal, post en een agenda van de zoon van de hoofdbewoner, achteraf, bevonden en geen studieboeken van de door appellant gevolgde studie. Desgevraagd heeft de hoofdbewoner verklaard dat zich elders in de woning geen bezittingen van appellant bevonden. De nadere mail van 1 maart 2013 van één van de controleurs vermeldt nog dat de hoofdbewoner in de richting van [adres B]

[adres B] heeft gewezen als woonadres van appellant.


4.3.2.

De Raad heeft geen reden aan de juistheid van de onder 4.3.1 opgenomen weergave te twijfelen. De eerste verklaring van de hoofdbewoner en de waarnemingen van de controleurs bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant niet woonde op het adres [adres A] waaronder hij ingeschreven stond. Op de als kamer van appellant getoonde kamer hebben de controleurs geen tot appellant herleidbare spullen waargenomen. De hoofdbewoner heeft bovendien verklaard dat deze zich ook niet elders in de woning bevonden. Wel hebben de controleurs in de als kamer van appellant getoonde kamer spullen van één van de zoons van de hoofdbewoner aangetroffen. Bovendien bevonden zich in de kamer op de zolderverdieping spullen op naam van de andere zoon van de hoofdbewoner. Onder deze omstandigheden was er voor de controleurs geen aanleiding tot het controleren van kasten.


4.3.3.

Aan de conclusie vermeld onder 4.3.2 doet niet af dat de hoofdbewoner naderhand tijdens het huisbezoek op zijn verklaring teruggekomen is, dat appellant heeft verklaard dat hij mantelzorg verleende aan de hoofdbewoner en dat appellant en zijn tante nadien een verklaring hebben afgelegd met een betwisting van de bevindingen uit het huisbezoek.

Daarbij merkt de Raad op dat de gemachtigde op de zitting van 1 april 2015 geen verklaring heeft gegeven over de aard en de omvang van de te verlenen mantelzorg en ook geen helderheid heeft gegeven over de verschillen tussen de twee handtekeningen op de verklaringen van de tante van appellant.


4.4.

Wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.3.3 leidt tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) K. de Jong



IvR