Centrale Raad van Beroep, 08-05-2015 / 13-2203 ANW


ECLI:NL:CRVB:2015:1534

Inhoudsindicatie
Weigering nabestaandenuitkering, omdat appellante niet voor minstens 45% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische grondslag. Terecht aansluiting gezocht bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten. Maatman juist vastgesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-08
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
13-2203 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2203 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 14 maart 2013, 11/4859 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 8 mei 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft, na het overlijden van haar echtgenoot op 31 augustus 2006, in november 2010 een aanvraag om nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend bij de Svb. Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vervolgens een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 31 augustus 2006 vastgesteld op nihil.


1.2.

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen. Daarbij is overwogen dat appellante niet voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.


1.4.

Naar aanleiding van het door en namens appellante tegen het besluit van 17 februari 2011 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv een gerapporteerd en heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv twee rapportages uitgebracht.


1.5.

Bij besluit van 3 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 februari 2011 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de Svb geen aanleiding heeft gevonden de rapportages van het Uwv niet te volgen over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is - kort samengevat - overwogen dat op een voldoende zorgvuldige wijze inzichtelijk is gemaakt welke gevolgen de rug- en knieklachten van appellante hebben voor haar belastbaarheid. De door appellante in beroep overgelegde medische informatie kan niet tot een andere oordeel leiden, nu die geen betrekking heeft op de datum in geding. Over de psychische klachten is overwogen dat die niet medisch zijn geobjectiveerd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat nu appellante arbeidsongeschikt is geworden in een periode waarin zij geen arbeid verrichtte, als haar maatman terecht de langdurig werkloze is aangemerkt en dat het maatmaninkomen juist is vastgesteld.


3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij door rug- en knieklachten alsmede psychische klachten ernstiger beperkt is dan is aangenomen door de Svb en de rechtbank. Subsidiair heeft appellante verzocht een medisch deskundigenonderzoek te gelasten. Verder is aangevoerd dat ten onrechte als maatman de werkloze is aangemerkt, nu appellante tot oktober 2005 werkzaam is geweest als zelfstandige. Bij het vaststellen van het maatmaninkomen als zelfstandige dient volgens appellante rekening gehouden te worden met een langere periode dan twee jaar voorafgaande aan 31 augustus 2006, omdat die periode geen representatief beeld geeft van de inkomsten van appellante.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering in de zin van de ANW, omdat zij ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot niet voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was.


4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sinds de dag van overlijden van de verzekerde en wiens arbeidsongeschiktheid na die dag ten minste drie maanden voortduurt recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Dit artikel luidt:


“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”.


4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van

artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dienen bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.


4.4.

Er is geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Op grond van de beschikbare medische en andere gegevens moet geconcludeerd worden dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in voldoende mate rekening hebben gehouden met de voor appellante geldende lichamelijke beperkingen. Niet is gebleken dat op of rond de datum in geding sprake was van beperkingen voortvloeiend uit psychische klachten van appellante. Wat namens appellante in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Geconcludeerd moet daarom worden dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische grondslag. Er bestaat ten slotte geen aanleiding een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen nu geen gegevens zijn aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen.


4.5.

Op grond van de FML en de toelichtingen van de arbeidsdeskundige bij diverse functies moet appellante in staat worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen.


4.6.

Met betrekking tot de vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen wordt het oordeel van de rechtbank ook onderschreven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Svb op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan zijn eigen beleid, als verwoord in

SB 1018, waarin is opgenomen dat indien de nabestaande op de dag als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de ANW ten minste twee jaar geen inkomen uit beroepswerkzaamheden heeft ontvangen of geen loongerelateerde sociale verzekeringsuitkering heeft ontvangen, het wettelijk minimumloon als maatmaninkomen wordt gebruikt. Verder heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat voor een berekening van het maatmaninkomen over drie boekjaren - zoals gebruikelijk bij zelfstandigen - in dit geval geen plaats is, nu appellante ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot al geruime tijd niet meer werkzaam was als zelfstandige.


4.7.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) P. Uijtdewillegen




NW