Centrale Raad van Beroep, 13-04-2015 / 13-2753 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1537

Inhoudsindicatie
Intrekking en niet ontstaan recht op WIA-uitkering (13/2753): de rechtbank heeft met juistheid de door appellant afgelegde verklaringen in het (politie)rapport van 16 april 2011 in haar overwegingen betrokken. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 april 2008 is terecht op minder dan 35% vastgesteld. De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat, nu aan appellant ten onrechte een WIA-uitkering is verstrekt, het Uwv op grond van artikel 76 van de Wet WIA gehouden was de uitkering per 15 april 2008 in te trekken. Appellant had redelijkerwijs kunnen weten dat hij ernstig rekening diende te houden met een dergelijke intrekking. Daarbij neemt de Raad in aanmerking de bevindingen van psychiater Kondakçi zoals vermeld in het rapport van 30 april 2011. Terugvordering (13/2752): De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit 2 op een deugdelijke grondslag berust. Geen dringende reden aanwezig om van terugvordering af te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-04-13
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
13-2753 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/2753 WIA, 13/2752 WIA

Datum uitspraak: 13 april 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2013, 12/2090 WIA en van 29 maart 2013, 12/2398 WIA (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Namens appellant is

mr. S.J.E. Loontjes, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 15 april 2008 recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%.


1.2.

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het Uwv, mede naar aanleiding van de uitkomsten van het zogenoemde Marque-fraudeonderzoek, het besluit van 12 februari 2008 ingetrokken. Daarbij is vastgesteld dat voor appellant geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat hij met ingang van 15 april 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 30 maart 2012 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.


1.4.

Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het Uwv de over de periode van 15 april 2008 tot en met 30 april 2011 onverschuldigd betaalde WIA-uitkering ter hoogte van (bruto) € 39.709,34 teruggevorderd.


1.5.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 10 april 2012 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 29 maart 2013 het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de intrekking per 15 april 2008 onrechtmatig is. Volgens appellant is vanaf die datum terecht recht op een WIA-uitkering ontstaan, omdat sprake was van aanzienlijke psychische beperkingen. Daartoe voert appellant aan dat hij in 2011 opgenomen is geweest vanwege dezelfde psychische klachten als voorheen, waarbij hij het onbegrijpelijk vindt dat de rechtbank meer waarde hecht aan de bevindingen van psychiater J.H.M. van Laarhoven na een kortstondige diagnostische opname in het kader van een expertise dan aan de bevindingen van psycholoog M. Lenders en psychiater T. Ghavam Zadeh na maandenlange opname op de gesloten afdeling van de GGZ. Bovendien heeft psychiater P.J.H. Notten appellant niet onderzocht en geeft het

proces-verbaal van de opsporingsonderzoeken geen juist beeld van het verhoor van destijds. Verder voert appellant aan dat, nu de intrekking per 15 april 2008 onrechtmatig is, de terugvordering evenmin in stand kan blijven. In dat kader voert appellant aan dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering vanwege appellants psychische problemen, welke zijn verergerd door de terugvordering.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraken.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraken.


Intrekking en niet ontstaan recht op WIA-uitkering (13/2753)


4.1.

Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn, kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2670).


4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) logisch en concludent zijn. De Raad onderschrijft volledig de overwegingen voor zover deze op het bestreden besluit 1 betrekking hebben in de aangevallen uitspraak.


4.3.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) voldoende heeft onderbouwd dat per einde wachttijd, 15 april 2008, geen reden bestaat psychische beperkingen aan te nemen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat appellant nimmer heeft geleden aan een ernstige depressie met psychotische kenmerken en dat onmiskenbaar uit het fraudeonderzoek naar voren is gekomen dat appellant bij de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken bewust een onjuist beeld heeft gegeven van zijn klachten, belemmeringen en beperkingen. Daarbij heeft de rechtbank terecht verwezen naar de politieverhoren van 12, 13 en 14 april 2011 (in verband met het Marque-onderzoek), in samenhang met het rapport van 30 april 2011 van de psychiater H. Kondakçi en de rapporten van de verzekeringsarts van 11 en 12 mei 2011, alsmede naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 februari 2011 en 22 maart 2012. Hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert, geeft geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De verzekeringsartsen hebben in eerdergenoemde rapporten na een zorgvuldig onderzoek inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er bij appellant vanaf het einde van de wachttijd voor de Wet WIA, 15 april 2008, geen sprake was van psychische beperkingen. Daarbij hebben zij onder meer de brieven van psycholoog N. Debets van 8 augustus 2006 en 26 oktober 2006, de brief van psychiater S. Gülsaçan van 3 juli 2007, het radiologie-onderzoek van 27 december 2006, de expertise van psychiater J.J.D. Tilanus van

20 februari 2008, het psychiatrisch consult van psychiater Kondakçi van 30 april 2011, de brief van i-Psy van 29 juli 2011, de brief van psychiater B. Roggenwallner van 14 december 2011 en de brief van psycholoog Lenders en psychiater Ghavam Zadeh van 20 januari 2012 in hun beoordeling betrokken. Dat appellant in november 2011 is opgenomen in verband met zijn psychische klachten, waarnaar Lenders en Ghavam Zadeh verwijzen, is onvoldoende om voorbij te gaan aan het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsartsen dat de psychische problematiek ongewijzigd is. In dat verband acht de Raad van belang dat de verzekeringsarts na zijn rapport van 3 mei 2012, dat naar aanleiding van de opname in 2011 van appellant is opgesteld, een expertise heeft laten verrichten door psychiater Notten en vervolgens, na zijn rapport van 25 september 2012, een observatie-opname van appellant heeft laten verrichten door psychiater Van Laarhoven. Deze laatste is in zijn rapport van 1 december 2012 gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van geobjectiveerde psychische problematiek en dat de eerder opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 mei 2011 nog steeds van toepassing is. De opname van appellant in 2011 leidt daarom niet tot de conclusie dat per 15 april 2008 psychische beperkingen aanwezig waren. Appellant heeft in hoger beroep geen gegevens overgelegd die zijn standpunt dat per 15 april 2008 sprake was van (aanzienlijke) psychische beperkingen onderbouwen.


4.4.

Ook heeft de rechtbank met juistheid de door appellant op 12, 13 en 14 april 2011 afgelegde verklaringen zoals weergegeven in het (politie)rapport van 16 april 2011 in haar overwegingen betrokken. Het standpunt van appellant, dat de verklaringen die hij tegenover de politie heeft afgelegd, niet gebruikt mogen worden omdat deze onsamenhangend zijn en onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, kan niet gevolgd worden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:92) mag in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en komt aan een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis toe. In het geval van appellant bestaat geen aanleiding hiervan af te wijken. Er is geen reden tot twijfel aan de ambtsedig opgemaakte verklaringen van 12, 13 en 14 april 2011. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaringen onjuist zijn en dat hij zijn verklaringen onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Daarbij is tevens van belang dat in het rapport staat dat de verklaringen door appellant zijn ondertekend, appellant niet kort nadien van zijn verklaringen is teruggekomen en de afgelegde verklaringen overeenstemmen met hetgeen appellant blijkens het rapport van psychiater Kondakçi van 30 april 2011 tegenover hem heeft verklaard. Gelet daarop had het op de weg van appellant gelegen om concreet te benoemen welke onderdelen van zijn verklaringen niet juist zijn. Hierin is appellant - ook ter zitting - niet geslaagd.


4.5.

Over de fysieke klachten heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat niet gebleken is dat er onvoldoende beperkingen in de FML van 12 mei 2011 zijn aangenomen. Appellant heeft geen medisch objectiveerbare informatie overgelegd waaruit zou volgen dat door het Uwv vanaf 15 april 2008 in onvoldoende mate met zijn lichamelijke beperkingen rekening is gehouden.


4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 12 mei 2011, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de voor appellant geselecteerde functies geen overschrijding van de belastbaarheid opleveren. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 maart 2012, waarin overtuigend is gemotiveerd dat appellant, gelet op de voor hem geldende fysieke beperkingen, in staat wordt geacht deze functies te vervullen. Tevens heeft de rechtbank terecht overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend uiteen heeft gezet dat het opleidingsniveau van appellant 2 is. Daarbij wijst de Raad op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 februari 2013, waarin een nadere toelichting is gegeven op het opleidingsniveau van appellant. De Raad onderschrijft deze motivering.


4.7.

Gelet op het vorenstaande is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per

15 april 2008 terecht op minder dan 35% vastgesteld. Dit betekent dat aan appellant vanaf die datum ten onrechte WIA-uitkeringen zijn verstrekt.


4.8.

De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat, nu aan appellant ten onrechte een WIA-uitkering is verstrekt, het Uwv op grond van artikel 76 van de Wet WIA gehouden was de uitkering per 15 april 2008 in te trekken. Appellant had redelijkerwijs kunnen weten dat hij ernstig rekening diende te houden met een dergelijke intrekking. Daarbij neemt de Raad in aanmerking de bevindingen van psychiater Kondakçi zoals vermeld in het rapport van 30 april 2011, onder meer inhoudende dat het gedrag waarmee appellant zich destijds heeft gepresenteerd volgens eigen zeggen van appellant opzettelijk blijkt. Uit de rechtspraak van de Raad, onder meer de uitspraak van 11 november 2005, (ECLI:NL:CRVB:2005:AU6128) en 11 april 2014, (ECLI: NL:CRvB:2014: 1325) volgt dat degene die een ziekte voorwendt kan weten, althans zou moeten weten, dat hij ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt en dus serieus rekening moet houden met intrekking van die uitkering. Dringende redenen als bedoeld in artikel 76, derde lid, van de Wet WIA om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, zijn niet gebleken.


Terugvordering (13/2752)


5. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit 2 op een deugdelijke grondslag berust. Het Uwv was op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA gehouden de over de periode van 15 april 2008 tot en met 30 april 2011 onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is niet gebleken. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen, kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale consequenties die een terugvordering voor een betrokkene heeft. De door appellant genoemde psychische problematiek kan, mede gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, naar het oordeel van de Raad geen dringende reden als hiervoor bedoeld opleveren. Hieruit volgt dat het Uwv terecht heeft besloten tot terugvordering over te gaan.


6. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraken dienen bevestigd te worden.


7. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen aanleiding.


8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.


.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein



IvR