Centrale Raad van Beroep, 19-05-2015 / 14-2241 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1543

Inhoudsindicatie
Disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag. Hoofdagent bij de politie. Plichtsverzuim bestaande uit onder andere schending van de lichamelijke integriteit van aangeefster. Gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen is de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-19
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
14-2241 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/2241 AW

Datum uitspraak: 19 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

12 maart 2014, 13/2773 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. Appellant is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Timmer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam bij de politie, laatstelijk als hoofdagent bij de politieregio [regio].


1.2.

Op 20 februari 2012 heeft A (aangeefster) bij de politie een melding gedaan en op

22 februari 2012 heeft zij aangifte gedaan van het seksueel binnendringen van haar lichaam dan wel het verrichten van ontuchtige handelingen terwijl zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of in lichamelijke onmacht verkeerde. Aangeefster heeft daarbij, samengevat, verklaard dat zij in de nacht van 19 op 20 februari 2012 in [plaats 1] in dronken toestand op weg van een café naar huis is meegenomen door twee politieagenten in een burgerauto die haar naar huis zouden brengen. De agenten zijn met aangeefster gereden in de richting van [plaats 2]. Op een voor haar onbekende afgelegen plek is de auto stil gezet en heeft één van de twee agenten seksuele handelingen met aangeefster verricht. De andere agent heeft geprobeerd seksuele handelingen met aangeefster te verrichten, maar is hiermee gestopt toen dat niet lukte. Vervolgens hebben de agenten aangeefster alsnog naar huis gebracht in [plaats 1]. Met toestemming van aangeefster is van haar op 20 februari 2012 door een arts DNA afgenomen. Tevens heeft zij voor onderzoek kledingstukken ter beschikking gesteld aan een technisch rechercheur.


1.3.

Het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de politieregio [regio] is een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek gestart naar de politieagenten die door aangeefster werden omschreven. Uit het onderzoek bleek dat de betrokken agenten vermoedelijk appellant en zijn collega L waren. Appellant en L hadden in de nacht van 19 op 20 februari 2012 dienst in onder andere [plaats 1] en reden in een grijze Volkswagen Golf (dienstauto). Op 21 februari 2012 is het strafrechtelijk onderzoek overgedragen aan de Rijksrecherche te Zwolle.


1.4.

Uit onderzoek van camerabeelden van het café dat aangeefster heeft bezocht, is het volgende gebleken: Aangeefster gaat om 00:00:34 uur door de draaideur van het café naar buiten. Aan de manier van lopen is te zien dat zij in beschonken toestand verkeert. Aangeefster loopt vervolgens in de richting van het kanaal, waarna zij uit beeld verdwijnt.


1.5.

Onderzoek van de gegevens van het Automatic Vehicle Location System (AVLS) van de dienstauto heeft uitgewezen dat deze op 20 februari 2012 om 00:10.40 uur heeft stilgestaan op de [straat 1] te [plaats 1]. Om 00:14:10 uur is de dienstauto weer gaan rijden. Om 00:32.28 uur is de motor van de dienstauto uitgezet bij de [straat 2] te [plaats 2]. Om 00:52:05 uur is het contact weer aangezet, waarna de dienstauto is teruggereden naar [plaats 1]. Om 01:01:37 uur is de dienstauto aangekomen op het adres van aangeefster. Om 01:02:14 uur is de dienstauto vertrokken vanaf dat adres, naar het politiebureau in [plaats 1], waar de dienstauto om 01:08:06 uur aankwam. Uit het toegangscontrolesysteem van de politieregio [regio] blijkt dat appellant en L om 01:08 uur met hun toegangspas het politiebureau te [plaats 1] zijn binnen gegaan.


1.6.

Uit onderzoek naar de whatsappberichten op de mobiele telefoon van aangeefster is gebleken dat zij op 20 februari 2012 om 01:07:58 uur onderscheidenlijk 01:08:12 uur aan een vriendin berichten heeft gestuurd met de volgende inhoud: “Politie (ook van toen heeft me thuis gebracht) na seks.” en “Bah!”.


1.7.

Nadat appellant en L het politiebureau te [plaats 1] weer hadden verlaten, heeft L de meldkamer van politie om 1:32 uur gevraagd een melding aan te maken in verband met hulpverlening aan een dronken vrouw op de [straat 1] te [plaats 1]. Uit de AVLS-gegevens blijkt dat de dienstauto op dat moment op de [straat 3] te [plaats 1] reed. L heeft gemeld de vrouw naar huis te brengen. Uit de AVLS-gegevens blijkt dat de dienstauto om 01:33:14 uur is aangekomen op het adres van aangeefster. Om 01:33:22 uur is de dienstauto daar weer vertrokken. Om 01:40:48 uur is de dienstauto richting [plaats 2] gereden. Om 01:48:20 uur is de dienstauto aangekomen bij de [straat 2] te [plaats 2]. Om 01:49:36 uur is de dienstauto weer vertrokken naar [plaats 1]. In de verhoren van 27 maart 2012 heeft appellant verklaard op die plek op zoek geweest te zijn naar een vermiste man. L heeft verklaard naar [plaats 2] te zijn gegaan voor een horecacontrole.


1.8.

Op 20 februari 2012 om 02:55 uur hebben appellant en L een mutatierapport opgesteld, waarin staat dat zij om 01:32 uur op de [straat 1] een jongedame (meerderjarig) tegen een woning zagen staan, die onder invloed was, waarna zij in het kader van de hulpverlening haar naar huis hebben gebracht. In dit rapport worden de personalia van aangeefster vermeld.


1.9.

Uit het DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gebleken dat er spermasporen van appellant zijn aangetroffen op de achterbank van de dienstauto en op de jas van aangeefster.


1.10.

Bij besluit van 21 februari 2012 is appellant in afwachting van een mogelijke schorsing buiten functie gesteld. Op 5 april 2012 heeft de korpschef aan appellant meegedeeld dat uit disciplinair onderzoek is gebleken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en dat het voornemen bestaat hem met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Tevens is besloten appellant te schorsen op grond van artikel 84, eerste lid, onder c, van het Barp. Nadat appellant zijn zienswijze bekend had gemaakt, heeft de korpschef hem bij besluit van 17 december 2012 met ingang van de dag na verzending of op de dag van uitreiking de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.


1.11.

Met het besluit van 30 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 december 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Aan appellant wordt verweten dat hij in het onder 1.8 vermelde mutatierapport een tijdstip heeft opgenomen dat bezijden de waarheid is en dat hij geen plausibele verklaring kan geven voor het feit dat het door hem geschetste beeld van zijn dienst op 20 februari 2012 tussen 00:00 uur en 02:00 uur niet overeenkomt met de verklaring van aangeefster. Appellant wordt voorts verweten dat hij aangeefster, na het instappen, niet direct naar huis heeft gebracht en dat hij met verkeerde intenties jegens haar heeft gehandeld en seksuele handelingen met haar heeft verricht. Hierdoor heeft appellant de lichamelijke integriteit van aangeefster in ernstige mate geschonden en misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in appellant als politieman had. Het geheel aan gedragingen heeft de korpschef aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5553) behoort een disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Daarbij kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van uit strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens. Met de korpschef en de rechtbank heeft de Raad de overtuiging verkregen dat appellant zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.


4.3.

De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de onder 1.2 bedoelde verklaring van aangeefster te twijfelen. Vast staat en niet in geschil is dat aangeefster op 20 februari 2012 in dronken toestand bij appellant en L in de dienstauto is gestapt. Aannemelijk is dat dit om 00.10 uur was, zoals aangeefster heeft verklaard, dan wel kort voor of na dit tijdstip. De verklaring van aangeefster vindt steun in de camerabeelden van het café, waaruit blijkt dat zij om 00:00 uur het café heeft verlaten. De verklaring van aangeefster vindt ook steun in de AVLS-gegevens van de dienstauto. Volgens het AVLS heeft de dienstauto om 00:10 uur vier minuten stilgestaan op de [straat 1] te [plaats 1], naar de Raad aanneemt om aangeefster te laten instappen, waarna de dienstauto is gereden naar de [straat 2] waar de dienstauto ongeveer twintig minuten heeft stilgestaan. Daarna is de dienstauto gereden naar het adres van aangeefster, waar de auto een minuut heeft stilgestaan, om vervolgens te vertrekken naar het politiebureau te [plaats 1], waar appellant en L volgens hun toegangspassen, kort na aankomst zijn binnengegaan. Verder wordt de verklaring van aangeefster onderbouwd met de door haar verstuurde whatsappberichten. Daaruit blijkt onder meer dat aangeefster ongeveer vijf minuten nadat de dienstauto volgens de AVLS-gegevens voor haar adres heeft gestaan, naar de Raad aanneemt om haar te laten uitstappen, een whatsappbericht heeft gestuurd aan een vriendin, dat zij is thuisgebracht door de politie, na seks. Ook uit whatsappberichten van de volgende ochtend blijkt dat aangeefster berichten heeft gestuurd aan een vriendin over hetgeen is voorgevallen. Tevens wordt de verklaring van aangeefster gesteund door het

DNA-onderzoek door het NFI, waaruit blijkt dat er spermasporen van appellant zijn aangetroffen op de achterbank van de dienstauto en de jas van aangeefster.


4.4.

De verklaring van appellant, dat hij en L aangeefster pas om 01:32 uur hebben meegenomen vanaf de [straat 1] om haar direct naar huis te brengen, wordt niet geloofwaardig geacht. Uit onderzoek van de camerabeelden van het café is niet gebleken dat aangeefster daar is teruggekeerd nadat zij het café om 00:00 uur had verlaten. Bovendien reed de dienstauto, toen L de onder 1.7 bedoelde melding deed bij de meldkamer, niet op de [straat 1] waar aangeefster zou zijn opgepikt. Volgens het AVLS kwam de dienstauto al om 01:33 uur aan bij het adres van aangeefster, waar de dienstauto vervolgens maar acht seconden is gestopt. De Raad acht het niet aannemelijk dat aangeefster in dit tijdsbestek door appellant en L is meegenomen vanaf de [straat 1], naar huis is gebracht en is uitgestapt. Voor de vraag waarom appellant en L vervolgens opnieuw naar de [straat 2] zijn gereden, zoals blijkt uit de AVLS-gegevens, hebben appellant en L in hun verhoren van elkaar afwijkende verklaringen gegeven. Ook hierom acht de Raad de verklaring van appellant niet geloofwaardig.


4.5.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek waar de korpschef zich op baseert niet zorgvuldig is geweest, dat het BIV vooringenomen was en dat sprake is van strijd met het beginsel van fair play. Daarbij wijst appellant er op dat niet alle stukken van het onderzoek direct aan hem zijn overgelegd, terwijl de korpschef bij het besluitvormingstraject niet met de benodigde voortvarendheid heeft gehandeld. Dit betoog treft geen doel. De Raad heeft onvoldoende reden om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Vast staat dat een uitgebreid disciplinair onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de korpschef zich mede heeft gebaseerd op uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek. Het dossier bevat voldoende onderzoeksgegevens om op een verantwoorde wijze tot een zorgvuldige feitenvaststelling te komen. De gedingstukken geven voorts geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake was van vooringenomenheid bij het BIV-onderzoek. Het feit dat appellant het niet eens is met de resultaten van dit onderzoek of de interpretatie daarvan, maakt nog niet dat sprake is van vooringenomenheid. Voorts is gebleken dat de korpschef het volledige strafdossier aan appellant heeft overgelegd. Niet is gebleken dat de korpschef stukken heeft achtergehouden waardoor appellant in zijn recht op verdediging zou zijn geschaad. Voor zover de korpschef zich niet zou hebben gehouden aan wettelijke beslistermijnen, had appellant daartegen rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat daardoor sprake is van onzorgvuldige besluitvorming of schending van algemene rechtsbeginselen waardoor appellant in zijn belangen zou zijn geschaad.


4.6.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het AVLS betrouwbaar is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de AVLS-gegevens, zoals opgenomen in de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal van bevindingen van 23 februari 2012 en 20 maart 2012, onbetrouwbaar zijn en ten onrechte aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd. Dat bij proces-verbaal van 20 maart 2012 twee tijdstippen met enkele minuten zijn aangepast, maakt niet dat de AVLS-gegevens onbetrouwbaar zijn en ten onrechte aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd. Het gaat hier immers om een exactere vaststelling van de tijdstippen door gebruikmaking van een nauwkeurige versie van het AVLS. De AVLS-gegevens en de verklaring van aangeefster sluiten verder volledig op elkaar aan. Niet valt in te zien op welke wijze aangeefster in staat zou zijn geweest haar verklaring, dan wel de AVLS-gegevens zodanig te manipuleren, dat deze volledig op elkaar aansluiten. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant niet in staat is gebleken een overtuigende verklaring te geven voor het feit dat zijn verklaring omtrent de bewegingen van de dienstauto afwijken van de AVLS-gegevens en voor het feit dat de dienstauto volgens het AVLS is geweest op plekken die niet passen in het verhaal van appellant over wat er die nacht is gebeurd. Geconcludeerd wordt dan ook dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan het AVLS.


4.7.

Appellant heeft in dit verband ook aangevoerd dat de telefoongegevens van aangeefster niet volledig overeenstemmen met de AVLS-gegevens. Appellant heeft daarbij verwezen naar het door hem ingebrachte onderzoek van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau van 10 mei 2012. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat uit telefoongegevens geen exacte tijdstippen en locaties kunnen worden afgeleid, omdat gegevens van datacommunicatie onbetrouwbaar kunnen zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt is verwezen naar het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie van 9 februari 2014. De Raad kan de korpschef daarin volgen. Eenzelfde conclusie volgt uit het onderzoek van Omnitele van 26 mei 2014. De korpschef heeft gelet op deze onderzoeken terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend aan het feit dat de telefoongegevens van aangeefster wat betreft locatie en tijdstip niet geheel overeenstemmen met de AVLS-gegevens. Wel kan, zoals de korpschef en de rechtbank terecht hebben overwogen, uit de telefoongegevens worden afgeleid dat de telefoon van aangeefster eenzelfde beweging heeft gemaakt als de dienstauto. Ook in de telefoongegevens ziet de Raad dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de AVLS-gegevens van de dienstauto.


4.8.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de gevonden DNA-sporen het verhaal van aangeefster onderbouwen. Voor dit standpunt baseert appellant zich op het rapport van C.J. van den Bout Phd MD, arts en ontwikkelingsbioloog, van 4 januari 2013, waarin vragen worden opgeroepen over de conclusies die de korpschef verbindt aan de resultaten van het NFI-onderzoek inzake de DNA-sporen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Met de korpschef en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de korpschef het rapport van Van den Bout voldoende heeft weerlegd met het rapport van P.J. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, van 29 januari 2014. Herbergs heeft uiteengezet waarom de veronderstellingen van Van den Bout op een aantal punten niet voldoende of niet op een juiste wijze zijn onderbouwd en onderschrijft de resultaten en conclusies van het NFI-onderzoek. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomst van het DNA-onderzoek door het NFI.


4.9.

Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Met de hem verweten gedragingen heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen is de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig.

4.10.

Op grond van wat onder 4.3 tot en met 4.9 is overwogen treft het hoger beroep geen doel. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Tot slot bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) B. Rikhof





HD