Centrale Raad van Beroep, 12-05-2015 / 14-318 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1549

Inhoudsindicatie
Intrekking en (mede)terugvordering algemene en bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en andere verstrekkingen. Gezamenlijke huishouding? Ontoereikende feitelijke grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-12
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
14-318 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/260
Uitspraak

14/318 WWB, 14/1836 WWB

Datum uitspraak: 12 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van

5 december 2013, 13/1770 (aangevallen uitspraak 1) en van 18 februari 2014, 13/2531 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [Appellant] te [woonplaats 2] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Mr. B.A. Palm, advocaat, heeft als opvolgend raadsman de beroepsgronden aangevuld en nadere stukken ingediend.

Namens appellant heeft mr. Palm hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het dagelijks bestuur heeft in beide zaken een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gevoegd plaatsgevonden op 31 maart 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Palm. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Heij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 1 november 2008 bijstand in de kosten van levensonderhoud ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tevens heeft zij in de periode van 16 december 2010 tot en met 30 juni 2012 onder meer bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag ontvangen. Appellante was tot 13 mei 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans Basisregistratie personen (BRP), op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] (uitkeringsadres 1) en sindsdien op het adres [adres 2] te [woonplaats 1] (uitkeringsadres 2). Zij heeft tezamen met appellant twee kinderen, geboren [in] 2004 respectievelijk [in] 2008, die door hem zijn erkend. Appellant was ten tijde in geding ingeschreven in de GBA op het adres [adres 3] te [woonplaats 2] (adres van appellant).


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 9 januari 2012 dat appellante samenwoonde met appellant heeft de afdeling Handhaving van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSDKH) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat verband zijn gedurende de periode van

6 februari 2012 tot en met 16 april 2012 op verschillende dagen en tijdstippen waarnemingen gedaan in de directe omgeving van uitkeringsadres 1 en van het adres van appellant. De zaak is overgedragen aan de sociale recherche Regio Zuid-Oost Utrecht (sociale recherche), die verder onderzoek heeft gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd en waarnemingen gedaan in de periode van 6 juni 2012 tot en met 20 juni 2012 in de directe omgeving van uitkeringsadres 2. Voorts heeft een sociaal rechercheur in aanwezigheid van een medewerker van de RSDKH beide appellanten afzonderlijk verhoord op 11, 12 en 13 juli 2012. De verhoren zijn weergegeven in processen-verbaal. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een ambtelijk verslag van de sociale recherche van 25 september 2012, waarin de processen-verbaal van verhoor integraal zijn opgenomen, en in een rapport van de RSDKH van 15 oktober 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 31 oktober 2012 (besluit 1) de bijstand in de kosten van levensonderhoud in te trekken met ingang van 16 december 2010 en het recht op bijzondere bijstand, de langdurigheidstoeslag en andere aan appellante toegekende verstrekkingen te herzien. Tevens heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 4 december 2012 (besluit 2) de over de periode van 16 december 2010 tot en met 30 juni 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 33.592,71 van appellante teruggevorderd. Voorts zijn de onderzoeksresultaten voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij afzonderlijk besluit van 4 december 2012 (besluit 3) de hiervoor bedoelde kosten mede terug te vorderen van appellant tot een bedrag van

€ 30.445,81. De besluitvorming berust op de grondslag dat appellante op de uitkeringsadressen met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het dagelijks bestuur heeft gemeld.


1.4.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard en haar bezwaar tegen besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag is vastgesteld op € 28.351,97, omdat enkele kostenposten niet voor terugvordering op grond van de WWB in aanmerking kwamen. Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 26 maart 2013 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant tegen besluit 3 ongegrond verklaard en de hoogte van het teruggevorderde bedrag eveneens vastgesteld op € 28.351,97.


2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en bij aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd en appellant tegen aangevallen uitspraak 2. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat op grond van de door hen afgelegde verklaringen niet kan worden vastgesteld dat appellant zijn hoofdverblijf had op de uitkeringsadressen en dat dit evenmin uit de overige onderzoeksbevindingen kan worden afgeleid. Zij hebben hiertoe onder meer verwezen naar het op hun verzoek uitgebrachte verslag van 18 oktober 2013 van prof. dr. P.J. van Koppen en betoogd dat de weergaven van hun verklaringen in de processen-verbaal onbetrouwbaar zijn, zodat zij daaraan niet gehouden mogen worden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het besluit tot handhaving van de intrekking en herziening van de aan appellante verleende bijstand is gebaseerd op het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant vanaf 16 december 2010 tezamen met appellante zijn hoofdverblijf had op achtereenvolgens beide uitkeringsadressen. Dit besluit staat ter beoordeling voor zover het de periode van

16 december 2010 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met

31 oktober 2012 (de datum van het intrekkingsbesluit) betreft (te beoordelen periode).


4.2.

Het besluit tot intrekking of herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Het standpunt van het dagelijks bestuur dat in het onderhavige geval aan die voorwaarden is voldaan steunt met name op de door appellanten tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bieden deze verklaringen, zoals appellanten terecht hebben aangevoerd, onvoldoende grondslag voor dat standpunt. Daarbij kan in het midden blijven of, zoals appellanten hebben aangevoerd, dat wat zij tijdens de verhoren hebben verklaard, niet correct is weergegeven in de daarvan opgemaakte processen-verbaal in verband met het volgende.


4.4.

Wat appellanten volgens de processen-verbaal hebben verklaard geeft onvoldoende inzicht in de feitelijke omstandigheden van hun woon- en leefsituatie in de te beoordelen periode. De verklaringen zijn daartoe te weinig concreet en gedetailleerd. Zo hebben zij weliswaar verklaard dat op een gegeven moment appellant regelmatig in de woning van appellante aanwezig was, maar niet wat de frequentie en de duur van die aanwezigheid was en evenmin of en hoe vaak appellant ook nachten daar doorbracht. Verder hebben zij volgens de processen-verbaal weliswaar verklaard dat het uitkeringsadres gaandeweg het hoofdverblijf van appellant werd en dat hij op het uitkeringsadres is komen te wonen, maar onbekend is - met name gelet op de matige beheersing door hen van de Nederlandse taal - wat appellanten destijds bedoelden met ‘hoofdverblijf’ en ‘wonen’. De sociaal rechercheur heeft hierover volgens de verklaringen iets uitgelegd, maar niet bekend is wat hij daarover aan appellanten heeft meegedeeld. Derhalve staat niet vast dat zij destijds hieronder hetzelfde begrepen. Voorts geven de termen ‘hoofdverblijf’ en ‘wonen’ slechts conclusies weer. Deze moeten zijn gebaseerd op concrete feiten. Op welke concrete feiten in het onderhavige geval die conclusies zijn gebaseerd is uit de geverbaliseerde verklaringen niet duidelijk geworden.


4.5.

Ook wanneer de processen-verbaal worden bezien in samenhang met de overige onderzoeksbevindingen bieden deze onvoldoende inzicht in de frequentie, de duur en de aard van het verblijf van appellant op de uitkeringsadressen. De aanwezigheid van de beide auto’s van appellant in de omgeving van de uitkeringsadressen bevestigen slechts dat appellant, zoals appellanten hebben verklaard, daar in de perioden van de waarnemingen regelmatig aanwezig was. Zij bieden geen verdere aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf naar het uitkeringsadres had verlegd. Voor de waargenomen aanwezigheid van kennelijke bewoners op het adres van appellant in [woonplaats 2] heeft appellant een op zichzelf niet onaannemelijke verklaring gegeven, die door het dagelijks bestuur niet is weersproken. Ook deze waarneming biedt derhalve geen nadere ondersteuning van de stelling dat appellant op dat moment zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Verdere onderzoeksbevindingen die duidelijkheid zouden kunnen scheppen in de woonsituatie van appellanten zijn niet voorhanden. Met name ontbreekt informatie over de plaats waar de kleding, de overige persoonlijke bezittingen en de administratie van appellant zich ten tijde hier van belang bevonden. Het dagelijks bestuur heeft er immers voor gekozen om geen huisbezoek af te leggen om te onderzoeken hoe de feitelijke situatie op het uitkeringsadres was en of daar spullen van appellant aanwezig waren. Tijdens de verhoren is dit onderwerp kennelijk niet aan de orde gesteld. De onduidelijkheid met betrekking tot de concrete feiten, op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, wordt evenmin opgeheven door desbetreffende informatie van buurtbewoners van het uitkeringsadres. Het college heeft ervoor gekozen geen buurtonderzoek te doen.


4.6.

Gelet op wat onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen behoeft de vraag met ingang van welke datum appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had geen bespreking. Uit bedoelde overwegingen vloeit immers voort dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten gezamenlijk hoofdverblijf op een adres hadden, wat gelet op 4.2 wel op zijn weg had gelegen. Het besluit tot intrekking en herziening van de aan appellante verleende bijstand berust derhalve op een ontoereikende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.7.

Wat onder 4.6 is overwogen betekent dat de hoger beroepen slagen en de aangevallen uitspraken niet in stand kunnen blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren en deze besluiten wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Omdat, zoals de gemachtigde van het dagelijks bestuur ter zitting van de Raad heeft meegedeeld, het dagelijks bestuur niet alsnog aannemelijk zal kunnen maken dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door de besluiten 1, 2 en 3 te herroepen.


5.1.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 980,- voor elk van beide appellanten in beroep en op € 1.470,- in hoger beroep voor appellanten samen wegens verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 3.430,-.


5.2.

Appellanten hebben ter zitting van de Raad verzocht om het dagelijks bestuur daarnaast te veroordelen tot vergoeding van de kosten die zij samen tot een bedrag van € 3.630,- hebben gemaakt voor het rapport van 18 oktober 2013, aan hen uitgebracht door

prof. dr. P.J. van Koppen als deskundige. De Raad ziet gelet op artikel 8:75 van de Awb, bezien in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aanleiding dit verzoek gedeeltelijk te honoreren. Niet gezegd kan worden dat appellanten kosten voor dit rapport niet redelijkerwijs hebben moeten maken. De maatstaf voor vergoeding van de kosten van een deskundige wordt ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wtsz). Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken geldt voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wtsz een tarief van ten hoogste € 116,09 per uur. Met inachtneming van deze bepalingen is de vergoeding van de kosten van de deskundige vast te stellen op 15 uur x € 116,09, zijnde € 1.741,35.


5.3.

De door het dagelijks bestuur aan appellanten samen te vergoeden proceskosten bedragen aldus in totaal € 5.171,35.












BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 14 februari 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 31 oktober 2012 en het besluit van 4 december 2012, gericht aan appellante en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 februari 2013;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 26 maart 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 4 december 2012 gericht aan appellant en bepaalt dat deze uitspraak

in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 26 maart 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten samen tot een bedrag van € 5.171,35;

- bepaalt dat het college aan appellante respectievelijk aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- respectievelijk € 166 vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M.A.V. van Kleef



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




ew