Centrale Raad van Beroep, 01-05-2015 / 13-6173 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1560

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldige voorbereiding. Geen aanknopingspunten in objectief-medische zin, om het oordeel van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Voldoende inzichtelijk en overtuigend onderbouwd dat de belasting in de geselecteerde functies de in de FML vastgelegde mogelijkheden niet te boven gaat. Niet aannemelijk is geworden dat de begeleiding, zoals van collega’s in een werksituatie mag worden gevergd, in deze functies niet kan worden geboden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
13-6173 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6173 WAO

Datum uitspraak: 1 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

8 oktober 2013, 13/1504 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is door mr. M.P.A.M. Voogt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. A.A.W. Terpstra, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN


1. Appellant is op 7 december 1992 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als zetmachinist. Na het verstrijken van de wachttijd is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


1.1.

In 2003 is appellant gaan werken bij de Kamer van Koophandel als facilitair medewerker. Op 19 april 2010 heeft hij deze werkzaamheden gestaakt in verband met lichamelijke en psychische klachten. Na een medische en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2012 de mate van arbeidsongeschiktheid per 16 april 2012 vastgesteld op 35 tot 45%. Bij beslissing op bezwaar van 23 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Uit het rapport van de verzekeringsarts komt naar voren dat deze op hoogte was van de verschillende diagnoses en dat uit - met name - de medische anamnese blijkt dat de angstklachten expliciet ter sprake zijn gekomen bij het onderzoek. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant op de in geding zijnde datum 16 april 2012 in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 september 2012. In het kader van het arbeidskundig onderzoek zijn de functies van productiemedewerker samensteller van producten (SBC-code 111180), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en samensteller kunststof- en rubberindustrie (SBC-code 271130) aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de motivering van de arbeidsdeskundige

B. Kamphuis in het rapport van24 september 2012, in voldoende mate rekening is gehouden met de belastbaarheid van appellant en dat de hem geduide functies voor hem geschikt zijn.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. Ter ondersteuning van zijn stelling heeft appellant gewezen op het rapport van 16 juli 2013 van H.M.Th. Offermans, verzekeringsarts, en het rapport van 20 maart 2014 van G.E.A. de Waard, psychiater. Uit deze gegevens komt naar voren dat bij appellant sprake is van een angststoornis. Daarmee hebben de verzekeringsartsen, aldus appellant, onvoldoende rekening gehouden bij het vaststellen van de FML. Als gevolg van deze angststoornis ondervindt appellant verdergaande beperkingen op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren. Daardoor zijn ook de geselecteerde functies niet passend te achten. Ter zitting heeft appellant benadrukt dat hij het onzorgvuldig vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet bij de hoorzitting aanwezig was en dat de begeleiding die appellant tijdens het werk nodig heeft verder gaat dan een collega kan verzorgen. Ten slotte heeft appellant opgemerkt dat het feit dat Y. Güzelcan behandelend psychiater van appellant is geweest de beoordeling door de verzekeringsarts niet positief heeft beïnvloed.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. In dit oordeel ligt reeds besloten dat de Raad het niet bijwonen van de hoorzitting door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval niet onzorgvuldig acht. Hoewel het belang van de aanwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoorzitting zeker niet onderschat kan worden, staat daar tegenover dat appellant door de verzekeringsarts op 11 september 2012 is onderzocht en er ook gegevens van de behandelend sector en Arboned bij de beoordeling in aanmerking zijn genomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kende blijkens zijn rapport van 8 februari 2013 deze gegevens en heeft deze bij de bepaling van zijn standpunt kunnen betrekken. Evenmin kan worden gezegd dat de omstandigheid dat Güzelcan de behandelend psychiater is geweest van negatieve invloed is geweest op de medische oordeelsvorming van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in voormeld rapport op gewezen dat de primaire verzekeringsarts geen aanwijzingen vond voor “ziektewinst” en dat niet getwijfeld is aan de klachtenpresentatie van appellant. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit kan daarom niet worden gesproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 5 juni 2014 overtuigend gemotiveerd gereageerd op de door appellant in hoger beroep aangevoerde gegevens van medische aard, waaronder het rapport van De Waard van 20 maart 2014. In het rapport van De Waard is gesteld dat de begeleiding die appellant nodig heeft ook door een goede collega kan worden verzorgd. Dit sluit aan bij hetgeen hieromtrent in de FML is opgenomen. Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant hiertegen ter zitting is aangevoerd, merkt de Raad nog op dat aan de rapporten van de verzekeringsartsen en van De Waard niet valt te ontlenen dat de in een werksituatie noodzakelijk geachte begeleiding van appellant zo omvangrijk is dat die niet van een leidinggevende of naaste collega in redelijkheid valt te vergen. Er is, ook in hoger beroep, niet kunnen blijken van aanknopingspunten in objectief-medische zin, om het oordeel van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken.


4.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen is evenmin kunnen blijken van gronden om het standpunt voor onjuist te houden dat appellant op de datum in geding in staat was tot het vervullen van de geduide functies. Door de arbeidsdeskundige is voldoende inzichtelijk en overtuigend onderbouwd dat de belasting in deze functies de in de FML vastgelegde mogelijkheden niet te boven gaat. Niet aannemelijk is geworden dat de begeleiding, zoals van collega’s in een werksituatie mag worden gevergd, in deze functies niet kan worden geboden.


4.3.

Uit de overwegingen 4.1. en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2015.



(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) M. Crum




NK