Centrale Raad van Beroep, 21-05-2015 / 14-5771 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1564

Inhoudsindicatie
Noch de verklaring van D, noch de brief van het College van procureurs-generaal bevat informatie die niet bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn voor de uitspraak van de Raad. De stukken die verzoeker in 2006 en 2007 zelf heeft opgesteld hadden door hem tijdig in het geding kunnen worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de getuigenverklaringen uit 2006.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-21
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
14-5771 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5771 AW

Datum uitspraak: 21 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 juni 2008, 07/1836 AW en 07/5301 AW

Partijen:

[appellant], wonende te Loosdrecht (verzoeker)

de Korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Gooi en Vechtstreek, ten name van wie het geding is gevoerd in de zaak waarvan thans herziening van de uitspraak wordt verzocht. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad van

26 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6326.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [naam 1]. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.C.M. Steenberghe.

OVERWEGINGEN


1.1.

Verzoeker was werkzaam bij de politie. De korpschef heeft bij besluit van 15 juni 2005 aan verzoeker met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Na bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij besluit van 22 september 2005.


1.2.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 februari 2007, 05/5056, het beroep van verzoeker tegen het besluit van 22 september 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat slechts een deel van de door de korpschef verweten gedragingen als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag heeft de rechtbank onevenredig geacht aan de verweten gedragingen die wel zijn komen vast te staan en plichtsverzuim opleveren.


1.3.

Ter uitvoering van die uitspraak heeft de korpschef op 14 juni 2007 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 15 juni 2005 gegrond is verklaard, het strafontslag is herroepen en verzoeker de disciplinaire straf opgelegd van plaatsing in een lagere salarisschaal (schaal 8) voor de duur van drie jaar, een en ander te rekenen van 15 juni 2005 af. Voorts is verzoeker verplaatst naar de functie van planner bij de Justitiële Dienst, Bedrijfsbureau JD/OO als brigadier executief, schaal 8, en met Hilversum als plaats van tewerkstelling.


1.4.

Bij de uitspraak van 26 juni 2008 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd, het beroep van verzoeker tegen het besluit van 14 juni 2007 ongegrond verklaard en bepaald dat het onderzoek ter zake van de door verzoeker verzochte schadevergoeding wordt heropend. Tevens zijn bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. Bij uitspraak van 28 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI7117, heeft de Raad uitspraak gedaan ter zake van de schadevergoeding.


2. Verzoeker heeft gesteld dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan het onderzoek in deze zaak moet worden heropend. Verzoeker heeft een verklaring van eind 2013 van[naam 2](D), destijds collega van verzoeker, overgelegd. Voorts heeft hij verwezen naar een brief van 15 augustus 2012 van het College van

procureurs-generaal gericht aan mr. N.C.J. Meijering, advocaat, zijnde destijds de gemachtigde van verzoeker. Verzoeker heeft gesteld dat niet alle ten laste gelegde vermeende gedragingen welke destijds als plichtsverzuim zijn aangemerkt, hem zijn aan te rekenen. Voor hem is het onverteerbaar dat hij is gestraft en dat zijn integriteit in twijfel is getrokken. Verzoeker heeft daarbij nog verwezen naar een brief van 1 mei 2007 die hij heeft verzonden aan de korpsbeheerder, op schrift gestelde opmerkingen die hij op 1 december 2006 in zijn strafzaak heeft ingebracht en naar processen verbaal van getuigenverklaringen van P van

20 juni 2006 en van O en vD van 4 juli 2006, die zijn afgelegd in zijn strafzaak.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


3.2.

Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betrokken uitspraak te openen, maar strekt er in beginsel toe om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Slechts aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden (CRvB 26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:218).


3.3.

In wat door verzoeker is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. Noch de verklaring van D, noch de brief van het College van procureurs-generaal bevat informatie die niet bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn voor de uitspraak van de Raad. De stukken die verzoeker in 2006 en 2007 zelf heeft opgesteld hadden door hem, voor zover dat destijds niet is gedaan, tijdig in het geding kunnen worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de getuigenverklaringen uit 2006, nog daargelaten of die verklaringen tot een ander oordeel hadden kunnen leiden.


3.4.

De overige gronden van verzoeker zijn gericht tegen overwegingen van de uitspraak van

26 juni 2008. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de Raad daar niet aan toe.


3.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.


4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.




(getekend) R. Kooper




(getekend) C.A.W. Zijlstra



HD