Centrale Raad van Beroep, 21-05-2015 / 13-1690 AOR


ECLI:NL:CRVB:2015:1566

Inhoudsindicatie
Vaststelling ingangsdatum toekenning vrije geneeskundige behandeling en een periodieke invaliditeitsuitkering. Verweerder is van de afwijzing van 24 november 2005 teruggekomen op grond van nieuw verkregen bevestigingsgegevens. Appellante kan niet staande houden dat de afwijzing berustte op een ambtelijke fout aan de zijde van verweerder. Voor afwijking van de uit artikel 10, tweede lid, van de AOR voortvloeiende ingangsdatum was reeds hierom geen plaats. Zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase heeft de behandeling langer geduurd dan gerechtvaardigd was. Toewijzing schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-21
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
13-1690 AOR
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1690 AOR

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

de Staat der Nederlanden, ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de

- voormalige - CAOR verstaan.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat mede als partij aangemerkt.

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 maart 2013, kenmerk 0001053/CAOR (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Voor appellante is

mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante is in 1937 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In oktober 2003 heeft zij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo). Deze aanvraag is door de toenmalige Raadskamer WUBO van de Pensioen en Uitkeringsraad afgewezen bij besluit van 3 maart 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juni 2004. Het hiertegen gerichte beroep van appellante is door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraak van 21 april 2005, 04/4142 WUBO.


1.2.

In februari 2005 heeft appellante een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR. Bij besluit van 24 november 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat van de door appellante gestelde oorlogservaringen geen bevestiging is verkregen. Bij gebreke van oorlogsletsel in de zin van de AOR, kon appellante niet als oorlogsslachtoffer worden aangemerkt. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel ingesteld.


1.3.

Bij brief van 28 juli 2011 heeft appellante zich opnieuw tot verweerder gewend. Bij besluit van 29 juni 2012 is zij alsnog aangemerkt als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. Daarbij zijn haar, te rekenen vanaf 1 juli 2011, vrije geneeskundige behandeling en een periodieke invaliditeitsuitkering toegekend.


1.4.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt wat betreft de ingangsdatum. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.


2. In beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.


2.1.

Op grond van artikel 10, tweede lid, van de AOR gaan de daarin bedoelde uitkering en voorzieningen in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend. Doorslaggevend is dus het moment van de aanvraag (CRvB 16 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0314).


2.2.

In dit geval is de brief van 28 juli 2011 aan te merken als de aanvraag. Het betrof hier een verzoek om terug te komen van de eerdere, in rechte onaantastbare afwijzing van 24 november 2005. In overeenstemming met artikel 10, tweede lid, van de AOR heeft verweerder de ingangsdatum van de alsnog toegekende uitkering en voorziening bepaald op 1 juli 2011.


2.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de afwijzing van 24 november 2005 apert onjuist is geweest. Volgens haar had de ingangsdatum daarom moeten worden bepaald op 1 februari 2005. Dit is de eerste dag van de maand waarin zij voor het eerst een uitkering op grond van de AOR heeft aangevraagd. In ieder geval zou moeten worden teruggegaan naar een vroegere datum dan 1 juli 2011, aldus appellante.


2.3.1.

De Raad volgt appellante niet. De gedingstukken laten zien dat verweerder van de afwijzing van 24 november 2005 is teruggekomen op grond van nieuw verkregen bevestigingsgegevens. Deze zijn ontleend aan een sociaal rapport dat de Stichting Pelita op 11 september 2007 in het kader van de Wubo heeft uitgebracht over appellantes zuster[naam 2] ([naam 1]). Dit sociaal rapport is pas na het besluit van 24 november 2005 tot stand gekomen. Verder heeft verweerder gebruik gemaakt van een in het Wubo-dossier van [naam 1] aangetroffen getuigenverklaring van hun zuster [naam 3]. Ook deze verklaring was bij het nemen van het besluit van 24 november 2005 nog niet beschikbaar.


2.3.2.

Dat verweerder op 24 november 2005 anderszins met de gegevens bekend was of had moeten zijn, is evenmin gebleken. Daarbij is van belang dat appellante in haar eigen sociaal rapport heeft aangegeven alleen nog contact te hebben met haar zuster[naam 4]. Uit de verklaring van [naam 4] kwam naar voren dat zij niets over de gebeurtenissen kon verklaren omdat zij zich op een andere plaats bevond. In haar bezwaarschrift in de

Wubo-procedure heeft appellante verklaard dat zij wegens familieomstandigheden reeds lang geen contact met haar zus [naam 1] meer had. In de uitspraak van 21 april 2005 is opgetekend dat het adres van [naam 1] niet was te achterhalen. In een brief aan verweerder van 27 september 2005 heeft appellante nog eens met zoveel woorden te kennen gegeven dat zij onmogelijk aan het verzoek om een tweede getuigenverklaring kon voldoen.


2.3.3.

Onder deze omstandigheden kan appellante niet staande houden dat de afwijzing van 24 november 2005 berustte op een ambtelijke fout aan de zijde van verweerder. Voor afwijking van de uit artikel 10, tweede lid, van de AOR voortvloeiende ingangsdatum was reeds hierom geen plaats.


2.4.

Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

3. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


3.1.

In dit geval is sprake van een procedure in twee instanties, te weten bezwaar gevolgd door beroep in eerste en enige aanleg. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van

9 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren.


3.2.

Zoals ter zitting besproken, is in dit geval de totale behandelingsduur langer geweest dan twee en een half jaar, maar korter dan drie jaar. Zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase heeft de behandeling langer geduurd dan gerechtvaardigd was. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,, gelijkelijk te verdelen over verweerder en de Staat.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan appellante van schade tot een bedrag van € 250,;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding aan appellante van schade tot een bedrag van € 250,.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.




(getekend) R. Kooper




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD