Centrale Raad van Beroep, 21-05-2015 / 13-5450 AOR


ECLI:NL:CRVB:2015:1568

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de AOR. Anders dan namens appellant is betoogd, is het in een (getuigen)verklaring vermelden dat een betrokkene internering heeft ondergaan, ondanks de ruimere beoordeling van de AOR, niet voldoende om te aanvaarden dat er sprake is geweest van een oorlogscalamiteit in de zin van de AOR.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-21
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
13-5450 AOR
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5450 AOR

Datum uitspraak: 21 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in de gedingen tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

(Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de

- voormalige - CAOR verstaan.

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 september 2013, kenmerk 0003831/CAOR (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Voor appellant is

mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN



1.1.

Appellant is in 1937 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In juli 2012 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR.


1.2.

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen bevestiging is verkregen van de door appellant gestelde oorlogservaringen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat geen bevestiging is verkregen dat appellant geïnterneerd is geweest in een kamp in Salatiga.


2.3.

De Raad volgt verweerder in dit standpunt. Appellant heeft verwezen naar een in bezwaar overgelegde verklaring van mevrouw E.S.M. [naam 1][naam 2]. Zij stelt samen met appellant in een kamp in Salatiga te hebben verbleven. De Raad verwijst naar de uitspraak van heden, nummer 14/3165 WUBO, gegeven in het geding tussen partijen in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). In die uitspraak wordt geoordeeld dat de verklaring van mevrouw [naam 1] niet leidt tot een bevestiging van de gestelde internering in Salatiga. Er is geen aanleiding om hier anders te oordelen. Anders dan namens appellant is betoogd, is het in een (getuigen)verklaring vermelden dat een betrokkene internering heeft ondergaan, ondanks de ruimere beoordeling van de AOR, niet voldoende om te aanvaarden dat er sprake is geweest van een oorlogscalamiteit in de zin van de AOR. Er dienen wel aanknopingspunten te zijn dat sprake is geweest van een aan de oorlog toe te schrijven gevangenhouding die onder de werking van die regeling kan worden gebracht. Dergelijke aanknopingspunten ontbreken hier.


2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.


3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.




(getekend) R. Kooper




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD